Mariadevotie

 


Deze Mariaverering nam tot de jaren zestig een belangrijke plaats in de Katholieke Kerk in.

Op Het Provinciaal Concilie werd in 1865 vastgelegd dat de pastoors de viering van de meimaand, traditioneel toegewijd aan Maria, in de gezinnen moesten bevorderen. In 1883 werd de maand oktober toegewijd aan de rozenkrans en werd voorgeschreven dat in deze maand ‘gezamenlijk en plechtig’ de rozenkrans in de kerken gebeden moest worden.

De Mariaverering in de parochie Onze Lieve Vrouw Geboorte bereikte in 1933 een hoogtepunt onder de bezielende leiding van pastoor Theodorus A.J.M.Vlek. die een getrouwe nabootsing van de Lourdesgrot liet maken aan de achterzijde van de kerk omdat hij Lourdes naar Berkel en Rodenrijs wilde halen en van de grot een pelgrimsoord van de omgeving te maken.

Lourdesgrot

Om de Lourdesgrot zoveel mogelijk overeen te laten komen met het bedevaartsoord in Frankrijk reisde hij in de jaren daarvoor, met tekenschrift en potlood in zijn bagage, verscheidene malen heen en weer voor de details.

Door een te geringe deelname zou deze wens van hem nimmer in vervulling gaan. Ondanks dit voor hem negatieve gegeven zou zijn hoofddoel, een intense Maria verering, wel bereikt worden.

Pastoor Velthuyse schreef: ‘Bij de witte beeltenis der Moeder Gods, stralend in de ochtendzon of gehuld in de ochtendschemer komen daar dagelijks jong en oud, in groepjes of afzonderlijk, ’n ogenblikje bij hun Moeder bidden.

Vanaf de tijd dat de grot gereed was tot jaren na de Tweede Wereldoorlog kwamen katholieke ouderen en jongeren hier bidden voor hun Moeder Gods. Behalve het eigen initiatief om rust te zoeken voor het gebed werd hier ook het Rozenhoedje (Rozenkransgebed) gebeden en het ziekentriduüm (driedaagse gebedsdienst) gehouden. Vanuit de parochie werd jaarlijks deze gebedsdienst bij de Lourdesgrot georganiseerd ten behoeve van de zieken en zwakkeren onder de parochianen. Door vrijwilligers werden de mensen die daarvoor in aanmerking kwamen thuis opgehaald en als dat nodig was met een brancard naar de grot gereden. Behalve voor het vervoer van de zieken werd gezorgd dat alle aanwezigen, ook de begeleiders en brancardiers die tussen de middag een warme maaltijd kregen uitgereikt. Voor de bereiding en uitreiking stonden, ieder jaar weer, de zusters van het Sint Petrusgesticht garant..

Inde katholieke kerk was in de jaren vijftig van de vorige eeuw de kalender doordrenkt van katholieke gebruiken en gewoonten. Ook al was er het hele jaar door sprake van een grote Mariadevotie, in mei werd deze nog verhevigd. Men trachtte nog meer in de kerk het Marialof bij te wonen, bad met hogere frequentie de Rozenkrans en de Litanie van Maria. In oktober gebeurde dat weer want oktober was ook een Mariamaand die was toegewijd aan de rozenkrans en de voorschriften waren dat in deze maand ‘gezamenlijk en plechtig’ de rozenkrans in de kerken gebeden diende te worden. Volgens de pastoor was het ‘een schone devotie het rozenhoedje te bidden. Onze parochie staat helemaal onder Maria’s bescherming. Waarom niet gezamenlijk een paar keer per week het rozenhoedje gebeden’.

Eveneens werd speciale aandacht aan Maria geschonken in de Mariacongregatie. De Mariacongregatie was een kerkelijk goedgekeurde vereniging van leken met als doel speciale verering van Maria. Volgens de pastoor was de Mariacongregatie een godsdienstige vereniging, die een versterking van het geloofsleven wilde bewerkstelligen door heiliging van het apostolaat onder bescherming van Maria. De bijeenkomsten waren niet alleen bedoeld voor ontspanning of culturele vorming maar gericht op geestelijke vorming.  De congregatie had tot doel om openlijk te getuigen dat men met hart en ziel een overtuigde katholiek was en kon meehelpen bouwen aan een beter katholiek leven en meer weerstand kon bieden aan wereldse invloeden. Maria was een voorbeeld voor de vrouwelijke leden van de congregatie. Aan hen werd voorgehouden dat zij een voorbeeld moesten zijn voor man en kinderen en werd hen door de geestelijkheid gewezen op het feit dat ze: ‘als moeder op de eerste plaats een Apostolin moet zijn in het gezin. U zelf te verdiepen in uw gezinsplichten, lering op te doen hoe ge uw kinderen moet leiden en besturen’.

 Aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw neemt de Mariaverering geleidelijk af. Vooral de jeugd laat het afweten op de bijeenkomsten van de Mariacongregatie en het bidden van de rozenkans. Dat was een doorn in het oog van de kapelaan die in 1954 de jeugd voorhield dat het zij actiever aan de vieringen moesten deelnemen: ‘De bijeenkomsten zijn bedroevend de laatste tijd. Het is toch iets dat door de kerk is goedgekeurd en aanbevolen. Al eeuwen is dit in de kerk een van de beste middelen gebleken voor de instandhouding van het geloof in de jonge man. Kunnen wij eigenlijk wel met ons geweten overeenkomen dat dit prachtige werk door onze lauwheid wordt gesaboteerd. God laat niet met zich spotten op de lange duur. Is het dan sabotage? Ik antwoord volmondig ja. Waarom? Omdat vele leden wegkruipen in de paardenstal, daar de biljartzaal onder de congregatie gesloten blijft. Dat is sabotage van de lelijkste soort Maakt daar gauw een einde aan anders moet O.L. Heer optreden en dan is het raak’

Waren het aan het begin van de jaren vijftig vooral de mannelijke leden die minder belangtelling toonden voor de bijeenkomsten die gewijd waren aan Maria. Aan het eind van de jaren vijftig komen ook steeds minder vrouwen en meisjes naar de bijeenkomsten ook al werd door de clerus vele pogingen ondernomen om de Mariaverering weer nieuw leven in te blazen zoals ook pater Paulus dat in deze moderne tijd ook weer wil doen.

 

Mariabeeld in pastorie

       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leo Bolleboom en Henny Rijntjes