Hoge Heerlijkheid De Tempel nader bekeken

Berkel en Rodenrijs - Jan van der Spek, onlangs toegetreden tot het bestuur van de Historische Vereniging van Berkel en Rodenrijs, deelt zijn kennis van het landgoed De Tempel – een belangrijk onderdeel van de Rodenrijse geschiedenis - graag met anderen. Dat leverde een interessant kijkje in het verleden op.

 


Bron: De Heraut on Line, door Trees Borkus-Henskens.

“De oorsprong van de heerlijkheid De Tempel – gelegen tussen de Bovendijk, de Rodenrijseweg en de Doenkade te Rodenrijs - bij Berkel en Rodenrijs ligt in het duister, zo blijkt uit beschrijvingen van zowel de locatie als van bekende feiten, opgetekend door onder andere de heren Kersbergen en Sonneveld.
De geschreven geschiedenis ervan begint in 1384,” begint Jan van der Spek zijn relaas; een zoektocht naar feiten over het gebied waar ook de familie Van der Spek vele voetsporen heeft liggen.
“De heerlijkheid wordt beschreven als een buitenplaats van ongeveer 11 hectare dat uitzonderlijk is begiftigd en bestaat uit een landgoed en een hoeve. Het is namelijk een hoge heerlijkheid, met lage en hogerechtspraak, vrijgesteld van allerlei financiële feodale verplichtingen en met een eigen toegangsweg. Door de eeuwen heen werd deze ‘hoogheid’ zorgvuldig in ere gehouden. In 1384 blijkt de heerlijkheid in bezit te zijn Kerstine van Zuydwye, vrouwe van Rodenrijs. Vanaf dat jaar zijn de heren van De Tempel verder bij naam bekend. Als Johan van der Hoeven in 1715 De Tempel koopt, laat hij de oorspronkelijke ‘hofstad’ slopen. Het veen wordt gedolven en de ontstane plas wordt later weer drooggelegd, waarna de grond opnieuw in cultuurwordt gebracht. De naam De Tempel en de heerlijke rechten werden overgeheveld naar het nabij gelegen bezit van Johan van der Hoeven in Overschie. In 1795 wordt de heerlijkheid een gemeente, maar in de negentiende eeuw blijkt deze geen enkele inwoner te tellen. In 1855 wordt ze samengevoegd met de gemeente Berkel en Rodenrijs.
Landhuis
In de zeventiende eeuw bezat de familie Van Oldenbarnevelt de heerlijke rechten over De Tempel, toen nog een buurtschap op de plaats van het gesloopte slot. Johan van der Hoeven bouwde in het begin van de achttiende eeuw een landhuis op de plek van het huidige landgoed. Hij bracht de door hem verworven heerlijke rechten van De Tempel over op het nieuw gebouwde landhuis dat door hem en volgende eigenaren werd vergroot en uitgebreid. Omstreeks 1938 is het geheel verkocht aan de familie van Beek. Jan van der Spek spreekt het vermoeden uit dat De Tempel waarschijnlijk de eerste plek was waar werkers werden ondergebracht tijdens de ontginning van het gebied.