VI Oud Berkelnaren vertellen: Kees de Bruin (oorlogsjaren)

In de mobilisatie hadden in Berkel en Rodenrijs een vijftal bedrijven een vrachtauto. Die moesten naar Delft worden gereden, waar ze werden getaxeerd door het leger. De chauffeurs moesten hun auto achter laten tegen een ontvangst van een bon, die op het gemeentehuis kon worden verzilverd. Met zijn vijven liepen we van Delft naar Berkel en Rodenrijs, Piet de Vogel, mijn baas, was zijn vrachtauto kwijt ten behoeve van het Nederlandse leger.

In het begin van de Duitse bezetting ging het er minder geregeld aan toe. Zo moest Gerrit Kraaienbos, ook een chauffeur van de De Vogel, onderweg zijn vrachtauto afstaan aan Duitse soldaten, Gerrit kon terug naar huis lopen, De Vogel had weer een auto minder. Een paar dagen later fietste De Vogel door Overschie

Daar zag hij in een zijstraat zijn vrachtauto staan. Toen Gerrit dat hoorde durfde hij die auto wel te gaan halen. Hij fietste naar Overschie en nam de auto mee naar huis. De soldaten hadden de vrachtauto kennelijk maar even nodig gehad en vervolgens ergens achter gelaten.

Later toen de tijden slechter werden, was er voor vrachtauto’ s geen werk meer. Iemand, ik noem geen namen, kwam op het idee om de auto’ s in een soort pool aan de Duitsers te verhuren, al dan niet met chauffeur. Ik had in die tijd net verkering, dus ik kon wel wat geld gebruiken. Ik reed op mijn wagen vijf weken in Vlissingen. Daarna voor het vliegveld Gilze Rijen. Daar moesten we graszoden heen brengen voor de aankleding van het vliegveld. De plaggen werden weggehaald bij de boeren, die daardoor hun koeien op stal moesten houden. Veel haalde het niet uit, want het was toen droog en warm, waardoor het gras, ondanks veel sproeien, niet meer wilde groeien.

Op een keer, toen ik naar Gorinchem  op weg was voor zo’ n rit , kwam ik op het idee om even langs huis te rijden. Piet de Vogel trof mij in Berkel en Rodenrijs aan, en wilde de auto wel terug voor zijn kolenhandel, die net weer was aangetrokken. Ik had daar een hard hoofd in, want al kon hij mij terug - krijgen, de auto niet, want die werden tot in Frankrijk ingezet. Bernard van der Meer echter wist raad. Hij kende iemand, die een klein auto had en geen werk, die wilde wel wat verdienen. We reden met beide auto’ s ’ s nachts naar een verzamelplaats in Brabant, ( om de kleine auto de weg te wijzen) daar verwisselde we de nummers, iedere auto was toen verplicht met een werknummer. Bij de poort werd niet op de auto gelet, alleen op het nummer.

De Kleine auto ging richting de poort, met het “ingedeelde “ nummer, de grote van De Vogel draaide om en ging richting naar huis. Zo kreeg De Vogel zijn vrachtauto met chauffeur weer terug.

Later moesten we bij toerbeurt, op afroep, gaan rijden voor de Duitsers van het “Kamp “ aan de Bonfut. Gerrit Kraaienbos en ik moesten dan naar Scheveningen om bij een speciale zaak vlees voor de soldaten te halen. Ook naar het Westland voor groenten. Meestal reden er een paar Duitsers mee. Die  zaten dan in de cabine een bak druiven op te eten, zonder dat wij daar iets van kregen.

Op een keer reed er een Oostenrijker mee, een goeie kerel. Als we uit de Bonfut langs Hordijk reden, waar je de zaagmachines hoorde, maakte hij een gebaar langs zijn keel, waarbij hij Hitler noemde. Op een dag vroeg hij ons om een zak spruiten, want hij ging met verlof naar huis. In ruil daarvoor kregen wij van hem sigaretten. Zo’ n man vergeet je niet.

Toen de tijd kwam dat de mannen naar Duitsland moesten om te werken, dook ik onder. Ik was toen al getrouwd. Jan Rozendaal, de verzetsman, vroeg ons een keer om met een auto van De Vogel naar Groningen te rijden om eten te halen voor de ziekenhuizen, waarvan tien procent ten goede zou komen aan de onderduikers. Hij zou voor geldige papieren zorgen. We hebben misschien zes van die ritten gedaan. De auto’s reden op kolengas, in een stelsel van twee ketels  in een daarvan werden kolen gestookt, die stond in verbinding met de andere, waarin het rookgas werd gezuiverd, die dan de motor liet lopen. Daarmee kon je niet harder dan vijftig kilometer per uur. ’ s Nachts reed je zonder licht. Bij heldere maan ging dat nog wel, maar anders was het goed uitkijken.

Als Bolle Gerrit (van de Kaaden) meereed kon je altijd wel op avontuur rekenen. Die was nergens bang voor. Toen we bij de brug over de IJssel bij Zwolle werden aangehouden beleefden we spannende ogenblikken, want onder de lading lagen  een paar Rotterdammers, die ook in Groningen eten waren gaan halen. Wat overigens goed afgelopen is.

Op een keer werden we aangehouden door twee Duitse soldaten, die pech hadden met hun auto. Zij vroegen ons hen te slepen, Gerrit bond de ketting aan onze achteras goed vast, en legde het andere eind over hun vooras, hij zei tegen mij, als ik een seintje geef, vol gas vooruit, het verbaast mij nog steeds, dat we niet werden beschoten.

Op een van die ritten hadden we een echtpaar uit Den Haag in de auto. Zij hadden daar een schoenen winkel. In Den Haag boden zij ons een paar schoenen aan, wij wilde echter liever spek. En warempel, zij gaven ons ieder een stuk spek. Gerrit stond zijn stuk aan mij af, want ik had kinderen hij kwam wel aan zijn kostje.

Een keer hadden we vier passagiers, toen een stel landwachters( geüniformeerde NSB-ers) ons aanhield. Zij wilde meerijden en daartoe zetten zij de vier meerijders op straat. Even later dwongen Jan van de Kaaden en Kees in’t Veen ons met hun vrachtauto tot stoppen. Zij hadden, midden op de Veluwe was het, alles gezien en zij eisten dat de landwachters uitstapten. Die weigerden, waarop Jan en Kees ze met kop en kont op straat smeten.

Op het land van Jan Job werden geweren gedropt. Met paard en wagen werden die naar huis gereden om per schuit naar Piet de Vogel te worden vervoerd. Daar werden de geweren uitgepakt en de containers werden over de landscheiding in de plas gedumpt. Toen de plas droog viel zag ze liggen.

Van tijd tot tijd verscheen er een zogenaamde postauto, die achteruit over de landscheiding tot bij de tuin van De Vogel kon komen. Via een plank over de sloot werden dan de geweren ingeladen. Ook werden er geweren verstopt in de watervulbakken  van tuinders, die leeg stonden omdat er niet gestookt kon worden. De tuinders zelf wisten daar niets van. Die merkte dat pas na de oorlog.

 Wildersekade

Het Duitse kamp aan de Wildersekade, bedoeld als opvang voor krijgsgevangen het koetsje van de fam. Persoon verlaat het erf op weg naar de Rodenrijseweg, goed waarneembaar zijn de barakken aan weerskanten van de weg.

Inundatiegebied

Het inundatie gebied(ondergelopen land) aan weerszijde van het kamp, op de achtergrond is de Schoorsteen van Hordijk goed te zien.

Johan Koot 25 februari 2005