VII Oud Berkelnaren vertellen: Jan van der Burg (87)

(“ Kom maar in het begin van de avond “, had Jan me gezegd, want in  “ Huize Petrus” is altijd wat te doen. Ook ’s avonds, want om half negen komt de zuster mijn rug en benen verzorgen. Om zeven uur zat hij al op me te wachten.)

Waar en wanneer ben je geboren?
Ik ben geboren in Berkel op 24 Juli 1917 achter in het Noordeinde aan de Noordeindseweg. Daar heeft mijn wieg gestaan.
Je ouders waren?
Mijn vader heette Bert. Hij had drie broers, Ome Siem, Ome Jan, en Ome Arend, die geestelijke was en in de missie werkte.
Mijn vader, Ome Siem en Ome Jan waren allemaal tuinder.
Hoeveel broers en zussen had jij?
Wij waren thuis met veertien kinderen, vier jongens, Koos, Siem, Arend en mijn persoontje, en tien meisjes, mijn oudste zus was getrouwd met Wim Hogervorst van het benzine station, hij had een bus, waarmee hij ieder uur van het Noordeinde naar het station in Rodenrijs reed. Haltes bestonden nog niet. Hij toeterde de hele weg op een blaas. Als de mensen daarop naar de weg kwamen stopte hij.
Ook ging hij met die bus wel eens naar België, voor een dagje uit, die bus moest toen wel een dag van te voren helemaal nagekeken en gesmeerd worden.
Je vader was tuinder vertelde je?
Ja vroeger met platglas, en op het open land werd er spinazie en peen (worteltjes) geteeld, Piet en Cor Bulk die namen het peenbossen aan en wij, kinderen, moesten op de stoep voor het huis in de vaart de peen wassen, en op stapels zetten, daarna werden ze in kisten gedaan. Arie van der Enden bracht onze groenten per vrachtwagen naar de veiling, maar later voeren wij zelf met de motorschuit naar de veiling. Wij waren thuis met vier jongens, en in de zomer hielpen wij bij de boeren met de korenbouw, wij werden groter en sterker, er was thuis voor ons te weinig werk.
Mijn vader had ook varkens en konijnen, waarmee hij elke donderdag naar de markt in Delft ging, als je dan mee mocht was het een feest. Bij de Grote Kerk stonden toen allemaal kramen, en als je dan ook nog eens van je vader een tompouce kreeg, was je overgelukkig, Dan had je een goede dag gehad.
Nu is het allemaal heel anders, dan had je vroeger Jan Put die liep altijd hier vandaan met koeien naar de markt in Rotterdam om ze te markten, zo nam hij ook wel koeien mee terug, voor de boeren die ze op de markt gekocht hadden, maar steevast stonden de koeien dan vast aan het hek bij Piet Brand (café), want Jan lustte ze graag.
Je vader had ook varkens?
Ja , die hield hij voor de mest. Iedere tuinder die platglas komkommers teelde hield varkens, de mest werd dan in veuren gelegd, grond erover, dan glas erop zodat de mest ging broeden, de grond werd dan warm, waarna de komkommer planten er op geplant konden worden. In de winter werden er dan s’ nachts matten overheen gerold zodat het onder het glas niet te snel afkoelde, iedere ochtend en avond moesten er dan matten gerold worden.
Wij hadden bij elkaar nog al wat platglas, en bij ome Siem, die veel varkens had, gingen wij iedere ochtend stro struien voor de mest, die we dan bij Dirk van de Lugt, onze buurman die boer was, op ’ n stukje land onze eigen mesthoop konden maken. Later hebben we nog land gekocht van Lexmond, de boerderij hebben we afgebroken, en zijn op het land gaan tuinen.
Waar, en hoe gingen jullie naar school?
We gingen naar Berkel naar school, maar in Zoetermeer naar de kerk, onze dokter, onze kruidenier Rodenburg en bakker Hekke kwamen allen uit Zoetermeer, wij woonden korter bij Zoetermeer dan Berkel.
Gingen jullie naar school op de fiets of lopend?
De eerste tijd altijd lopend op van die grote klompen, Ouwerkerkers noemde we ze, met manchester broeken aan die waren sterk, want de jongeren broers moesten die ook nog kunnen dragen.
Dus niet op schoenen?
Nee dat was veel te duur, en een broodzak om je nek, want je bleef s’ middags op school eten.
Nu ik het toch over een broodzak heb, mijn vader had ook zo’n broodzak, hij ging iedere donderdag naar de veiling in het Rodenrijs om geld te halen, dat stopte hij dan in die broodzak. Ik weet nog dat een zekere Scholten met een handtas aan het stuur van zijn fiets al de boeren uit ging betalen.
Hoeveel klassen heb je op school doorlopen?
Veel hebben we nooit geleerd, we moesten altijd al werken. Toen ik twaalf was kreeg ik van mijn vader een oude herenfiets die had hij gekocht bij Jan Koetsier. Die werd op maat gemaakt door het zadel eraf te halen en te vervangen door een ouwe zak om de stang, een paar grote klossen aan de pedalen dan konden we erop fietsen, dan kon je vlugger uit school thuis komen om peen of walletjes te wijen.
Heb je wel eens een avondschool of cursus gevolgd?
Nee dat was er in die tijd nog niet, het was allemaal domme kracht. Later heb je de tuinbouwschool gekregen Tegenwoordig moet je leren leren. Je moest het tuinen leren van je vader, dat is net zoals met het matten rollen en paaltjes slaan om de mat tegen te houden. En als dan na een paar maanden het warmer werd, moesten die matten drogen, en moest je de kleppen opslaan, en als ze dan droog waren, werden ze in de mattenschuur opgeslagen.
Net zoals bij Ome Siem die 100 varkens had, die wij ieder ochtend gingen mesten, die mest reden we bij Dirk v.d.Lugt op een mestvaalt, in de winter kruiden we de mest weer in de veuren.
Later stookte we kolen, die we zelf met de schuit gingen halen aan het station in het Rodenrijs. Met een ijzeren goot schoven we de kolen zo van de wagon in de schuit. En dan naar huis varen. Je had nog wel bruggen die je zelf moest ophalen, als het stil weer was ging dat nog wel, maar met veel wind was het toch wel tobben. Thuis moest de schuit worden leeggekruid. Dat was bij het begin lastig, maar als je eenmaal een gaatje had kon je over de bodem gaan scheppen. Nog later stookte we met cokes, ook die haalde we van het spoor, daar hadden we dan cokesrieken voor, dit ging allemaal via Van de IJssel, die is altijd onze leverancier geweest, ik geloof dat ze nu wel 13 auto,s hebben rijden.
Ben je nog in militaire dienst geweest?
Nee ik niet maar m’n broer Arend wel.
Zijn jullie in de oorlog nog ondergedoken geweest?
Nee hoor we zijn ook nooit naar Duitsland gestuurd, ik weet niet hoe dat zo kwam.
Ik ben nog eens met Leen Vollebregt naar Hilversum gefietst, naar m,n zus Riet, we hadden beide een goede fiets met luchtbanden. Mijn zus schrok toen ze ons zag, hoe komen jullie hier, er is net een fietsen razzia geweest. We knepen hem wel toen we terug gingen, bij Gouda werden onze fietsen door de twee Duitsers afgepakt, we kregen hun een oude rot fietsen ervoor terug waar surrogaat banden om zaten, maar we hoefden gelukkig niet naar huis te lopen.
Ik heb in die tijd eens bruiloft gehouden met Nel Arends van de politie, dat was in die tijd, dat je om acht uur binnen moest zijn, als het dan bijna tijd was zei Arends, Van der Burg maak dat je wegkomt, dus gauw een zoen en weg wezen. Wat een tijd was dat!
Dus jullie zijn de oorlog redelijk doorgekomen?
Dat kan je wel zeggen we hielpen de boeren altijd met dorsen, er was wel altijd een Duitser bij, die de volle zakken moest tellen, maar als je goed voor hem was, hij moest dit werk ook doen, bleef er ook wat voor jou over. Zo was er ook iemand die venten met een bakfiets, rijst, krenten, suiker etc. die hielp ook altijd bij het dorsen, want hij kon er niet van rondkomen,. Zo was er ook iemand die kwam uit Bleiswijk met een hit hier drank verkopen, dat kon ook niet meer.

Vroeger als we naar school liepen kwamen we wel langs acht winkeltjes. Eerst had je Fop Smit de kruidenier, dan Hein Bulk de kapper, ook rook waren kon je daar krijgen, dan Hein Bakker met ijs, Cor Krak de kapper, David van ’t Harte schoenen, slagerij Snels. En nu loop je één winkel binnen en koop je alles in één keer.
Ik weet nog dat de Noordeindseweg verbreed en gebituumd is, ik heb er nog een foto van.
Je had vroeger midden op de weg een paarde straatje met aan weerskanten gruis en grind, met de nodige gaten die geregeld aangevuld moesten worden. Als er langs de weg iemand ernstig ziek was, strooide men een baal stro op het straatje, waardoor de paardenhoeven goed werden gedempt.
Je bent getrouwd?
Ja, dat kwam zo, met m’n kameraad, een boeren zoon uit de Roggeveen, reden we samen op de fiets naar Zoeterwoude, daar werd in de openlucht een stuk van pater Jongermans opgevoerd. Onderweg daarheen haalde we drie meiden in, die er ook heen gingen dachten we, dus bleven we achter ze rijden. Er stonden allemaal stoelen op het land, wij gingen toen achter die meiden zitten, later op de avond schopte we ze tegen hun schoenen, toen moesten ze wel omkijken, en of het zo wezen moest, die ene keek me nogal vriendelijk aan. Toen het stuk afgelopen was, moesten we helemaal naar Leidschendam fietsen om ze thuis te brengen. Uiteindelijk ben ik aan die ene blijven hangen en zijn we getrouwd.

Op het bedrijf van vader zijn we met vier broers verder gaan tuinen, en hebben toen kassen gebouwd, waar we toen veelal komkommers in teelden. Ouwe Arie van der Ende, toen hij nog zelf reed, en bij ons komkommers kwam opladen voor de veiling, zei op een dag dat het vroor dat het kraakte:” snap je nou dat ze daar die koude waterballen willen hebben, en dat ze er ook nog zoveel voor betalen”.
Rond 1965 ben ik zelfstandig doorgegaan. Later heb ik ene Meeuwse leren kennen uit Leidschendam, die rozen teelden. Er gingen er toen meer over op rozen, ik ben toen ook rozen gaan telen. Rond 1975 is Huub bij mij in het bedrijf gekomen, maar hij is al gauw ook alleen verder gegaan.
Hoeveel kinderen hebben jullie gekregen?
We hebben 6 kinderen 2 jongens Huub en Jan, en 4 meisjes, Jan tuint in het Rodenrijs achter de veiling, waar hij anthuriums teelt. Huub tuinde in Almere, maar is weer naar Berkel terug gekomen, en tuint nu op het land van Molenaar met zijn zoon Marco. Ja het is allemaal erg veranderd.
Jullie hebben, kan je wel zeggen bijna geen jeugd gehad, je moest altijd werken?
Nou ja als jongen van acht had ik wel een hoepel, en we gingen achter in de polder in de voersloot zwemmen, je kwam er alleen vuiler uit als dat je erin ging.
Mijn vrouw kon auto rijden, we hadden toen een Dafje, later een Volvo ze was met het auto-tje erg gelukkig. Ze was ook niet veeleisend en heeft vroeger heel veel meegewerkt in de tuinderij. Het was gewoon een familiebedrijf, waar iedereen hard moest meewerken om de zaak rond te krijgen. Ze hebben het wel eens over die goede oude tijd van toen. Maar zo goed was die tijd niet altijd. We hebben het altijd redelijk goed gedaan, maar ook bij ons gebeurde het in de winterdag wel dat we de bakker niet konden betalen. Pas als er weer werd geoogst, kreeg ie zijn geld.

Hij laat me het openingsmagazine zien van zijn zoon Huub en kleizoon marco van het nieuwe bedrijf aan de Abraham Molenaarweg te Berkel en Rodenrijs. Als je ziet wat mooi en groot het allemaal is, maar het kost toch wel erg veel. Die banken zijn tegenwoordig wel erg makkelijk.
Ja er gaat tegenwoordig aardig wat geld in zitten.
Dat ben jij helemaal niet gewend zeker?
Nee dat niet, vroeger als ik voor een uitbreiding wel eens geld nodig, ging ik naar Jan Toussaint die zei dan tegen me, kom dan en dan maar terug dan praten we er even over, het moest toen nog wel even goed gekeurd worden door Eindhoven.
Dus uiteindelijk zit er op jou oude tuin geen zoon meer?
Nee die hebben 2 jongens van boomkweker van der Burg gekocht die hebben er twee huizen op gebouwd. Wel heeft Ed v.d. Ploeg gedeeltelijk op mijn tuin gezeten.
Ja we reden vroeger met de lorrie over de weg om de schuit te laden, net als bij v.d. Torre naast de meelfabriek Treurniet. Owee als de rails vol zaten met gruis, dan had je een probleem. Maar dit is allemaal verleden tijd, net als bij de boeren die werkte toen alleen maar met paarden, zoals maaien, hooien, mesten, en ploegen, ze hebben er nu een tractor voor.
Maar in de tuinbouw is er toch ook veel veranderd, kijk maar naar je zoon?
Ja zeg dat! Ik moest bij de opening nog een woordje doen, nou ik heb wel een beetje hulp van boven gehad, want zeg nou zelf wat moet ik daar nou zeggen, ik begon alvast maar te zeggen dat ik daar vroeger nog gejaagd had, het is me best afgekomen. Het publiek vond het schijnbaar toch wel goed.
Als openingshandeling moest ik in een grote roos schieten, dat paste daar goed bij.
Ik heb altijd gejaagd, net als mijn vader, ik heb veel gejaagd bij van de Bosch, die kwam van oorsprong uit Bleiswijk, die kwam eens in het voorjaar bij mij en zei je hebt veel te weinig hazen afgeschoten. “ Ze vreten al mijn spruiten planten op, ik zal andere planten kopen dan moet jij ze maar met je personeel gaan inboeten”. En zo gebeurde het ook.
Welk land bedoel je? Dat land naast Voorwinden.
Maar dan praat jij over de tijd dat de A.H.Verweyweg en de Munnikenweg er nog niet waren?
Precies, toen had je de Pissenhoek nog, wat nu door Zoetermeer is ingenomen, ik heb in die polder veel gejaagd. Net als bij die Ja knikkers in het Rodenrijs, daar heb ik veel met Havenaar gejaagd, die Ja knikkers zijn nu weg.
Jij bedoelde op het land van Steenwijk? Precies.
Ben jij wel eens met Havenaar naar Gelderland geweest?
Nee dat niet, wij jaagde in de Noord Oost polder, met o.a. Cock Haak. Zo kwam er eens en boer naar ons toe hij had 7 kippen vermoord door een vos, hij dacht dat de vos in het bietenland was. Wij hadden nog al wat drijvers, dus dat ging gebeuren. Je raakt er niet over uitgepraat.
Jij had de jacht in de Noord Oost Polder?
Ja, bij verschillende boeren met een jachtopziener, het was een combinatie, daar zaten nog al wat mensen in met geld, want zo’n jacht afhuren dat koste nog al wat.

( Ons gesprek wordt, zoals verwacht, afgebroken door de zuster, die Jan zijn rug en benen kwam verzorgen. Jan is daar zeer over te spreken: “Waar vind je zoiets nog? Je drukt maar op een belletje en er komen een of twee zusters naar je toe” )

10 juni 2005 Johan Koot.