VIII Oud Berkelnaren vertellen: mevr. Hoogerbrugge (90)

Wij zijn in gesprek (Arie v.d.Beukel en Johan Koot ) bij mevr. Hoogerbrugge aan de Herensraat 13 in Berkel en Rodenrijs
Waar en wanneer bent u geboren?
Ik ben geboren in Berkel en Rodenrijs op 5 januari 1915, net als mijn vader die hier ook geboren is.
Wat was het beroep van uw vader?
Mijn vader was melkboer Van Herk en we woonden aan de Klapwijkseweg, bij de brug. Hij was een klein boertje met acht melkkoeien, en de melk ging hij uitventen langs de weg met een hondenkar. Toen zich het melkventen uit- breidde, heeft hij de koeien verkocht, en ging de melk halen bij Toon van Adriaane. Tevens ging hij toen venten met paard en wagen.
Hoeveel broers en zussen had u?
Ik had vier broers en een zus, ik was één na de jongste. Mijn oudste broer scheelde twintig jaar met mijn jongere broer. Mijn broers gingen al gauw werken bij de boeren, want mijn vader had geen werk voor ze, hij kon het wel alleen af. Maar ik moest hem dan wel helpen, nog voor schooltijd. Zo had je op de Klapwijkseweg allemaal bruggetjes, ik moest dan de pannetjes bij de mensen halen, mijn vader schepte daar dan de melk in, en ik bracht ze weer terug. Ik ging altijd op de fiets, mijn vader bezorgde de klanten aan de weg, want over de vaart was mijn werk, want hij wilde niet zo ver bij het paard vandaan gaan. In die tijd fietste ik naar de volgende brug. Dit heb ik zo jaren gedaan, zo had hij ook nog klanten in het dorp, en aan de Westersingel tot aan de machinebrug.
Hadden jullie toen al de winkel?
Nee dat niet, maar mijn moeder karnde iedere dag zes kannen melk, de karnenmelk werd verkocht per fles, en de boter per pond.
Hoeveel cent een pint melk of de boter kostte weet ik niet, van prijzen wist ik weinig af. Dat kwam doordat alle klanten het op lieten schrijven, want de werkman kreeg op zaterdag om vijf uur zijn weekloon uitbetaald. s’ Maandags- morgens was het altijd afrekenen. Vroeger praatten ze over een “PINT” melk, over liters praatten we toen nog niet. Later kregen we melkbussen met een kraan er aan, in de bus zat een roerijzer, want de room mocht niet gaan drijven, door het schudden zou het dan boter kunnen worden; ook de pint werd toen vervangen door een één literkan. Ja door de tijd heen is er veel veranderd.
Naar welke school bent u geweest?
In de Kerkstraat op de school met de bijbel, daar stond het opschrift op “ Zonder Mij kunt gij niets doen”. Onze kinderen hebben daar ook allemaal op school gegaan, later is die school afgebroken, die steen met die tekst erop is verloren gegaan, wat ik wel erg jammer vond. Deze tekst heb ik wel op de rouwkaart van mijn man laten zetten. Mijn moeder heeft nog op de openbare school gezeten, maar later hebben wij de tijd nog meegemaakt dat er in Berkel en Rodenrijs geen openbaar onderwijs was.
Heeft u na het lager onderwijs nog een voortgezet onderwijs gevolgd?
Toen ik van school afkwam, ging het zevende schooljaar net in, ik mocht er af, maar mocht ook blijven. Hoewel ik een aardig rapport had, had ik geen zin meer in school, wel heb ik twee dagen in de week een paar uur handwerken gedaan.
Wat bent u na uw schooltijd gaan doen?
Mijn moeder had thuis voor twee meiden geen werk, mijn oudste zus werkte al thuis, Mevr. v.d.Linden van de manufacturenwinkel in de Kerkstraat had aan mijn moeder gevraagd of ik bij haar de huishouding wilde komen doen, haar zoon was toen zes jaar. Wanneer ik in huis kwam kon zij naar de winkel de klanten bedienen, zij verkochten ook veel band en garen. Ik ging daar toen werken van zeven tot zeven. Zij bleef liever in de winkel, want daar had ik toch geen verstand van. Wanneer ik s’ morgens naar v.d.Linden ging, mijn vader was al op pad, nam ik altijd twee kannetjes melk mee aan de hand op de fiets, één voor de familie Luit en één voor de familie Treurniet, want ik kwam daar toch langs, dat hoorde er gewoon bij. Mijn broers waren voor dag en nacht de deur uit, die namen dan op zaterdag hun vuile was mee naar huis, om gewassen te worden. Later ben ik nog een paar jaar bij Pietje Boer geweest, ik heb daar in het winkeltje gewerkt naast de kerk. Toen mijn zus ging trouwen ben ik thuis komen werken.

Is uw vader ook in hetzelfde huis geboren als u?
Nee, maar mijn vader heeft wel de eerste steen ervan gelegd, hij was toen drie jaar, en is van 1874.
Wel heb ik van vader gehoord, waar de zaak Van der Drift was. Dat was vroeger een scheepswerfje, later zijn er huisjes op gebouwd. Veel vroeger in de tijd was daar een plasje, die grond daar ter plaatse is nog steeds slap, het huis dat er nu nog staat, staat zolang ik weet al scheef.
Bij het 1000 jarig bestaan van Berkel en Rodenrijs was er een tentoonstelling, daar kon je op de oude kaarten zien dat daar een plasje was geweest.
Waar nu de Nieuwstraat is was vroeger ook een plasje, uit school gingen we dan gauw een baantje glijden op het ijs daar, het lijkt wel of er vroeger meer ijs was als tegenwoordig. Later zijn het gemeentehuis, het postkantoor en de muziektent er op gebouwd. Er liep een sloot onder de weg door bij Van Zutphen, wij noemde die de domineesloot, want hij liep tot achter de pastorie van de dominee. Ik weet niet meer waar hij eindigde, maar hij liep waarschijnlijk wel langs de molen van Buys(waar nu de begraafplaats is). Voor de oorlog was deze weg ( Laan van Rome) er nog niet, er stond toen een boerderij van Van der Voort. Als kind zijnde weet ik dat slager Krijgsman ( De Rooy) en ook bakkerij Van Velzen er toen al waren. Vanaf de herenstraat tot aan de Klapwijkseweg heette het toen de Brandschouwerij.

U heet van uzelf Van Herk. Zijn de anderen ook familie van u?
Cor Tax was een eigen neef van mij, maar Cor van Herk de veerijder, die ook op de Klapwijkseweg gewoond heeft, hij woonde naast Van de Drift, onze grootvaders waren broers. Er waren drie broers, met drie zussen Rodenburg getrouwd.
Hoe heeft u uw man leren kennen?
Mijn man had hier familie wonen, zodoende kwam hij nog wel eens op Berkel.
Ik had al kennis met een jongen, maar die is toen overleden. Ik heb daardoor een slecht jaar gehad en liep zondags met mijn moeder door het dorp te wandelen. Op een keer kreeg ik een brief, waarin hij me vroeg voor een afspraak en dat is aan gebleven. Hij kwam van de Bovendijk in Overschie, daar woonden meer Hoogerbrugges. De boerderij is er niet meer, want daar is het vliegveld aangelegd. De Doenkade is na de oorlog opgehoogd en aangelegd met het puin van het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940. Hij wilde ook wel melkboer worden, zijn vader was boer, en had voor hem geen werk, zijn broer was tuinder geworden op een stukje land van zijn vader, en teelde komkommers, ze waren niets waard en werden op de veiling kapot gestoken, zo nam hij ze weer mee naar huis voor voer voor de koeien, dat vond mijn man maar niets. Mijn jongste broer wilde geen melkboer worden, maar mijn vader was nog te jong om te stoppen, daarop wachten wilde mijn man ook niet. Toen konden we een melkzaakje in Voorburg kopen, in die tijd waren er veel boerenzoons die melkboer werden, of slagersknecht. Bij Bak hadden ze ook veel jongens, de een werd slagersknecht en de ander, Arie, werd ook melkboer. In 1937 ging mijn man, bij die melkboer in Voorburg, voor een paar maanden zich inwerken. In 1938 zijn we getrouwd, hij had het daar toch niet erg naar z’n zin, een boerenzoon die op een bovenhuisje moest wonen, zonder moestuin, geen terras. Toen onze oudste zoon geboren was moesten we zondags een heel eind met de kinderwagen lopen naar het park om een beetje van de buitenlucht te genieten. Op een keer zei hij zou jou vader de zaak niet willen overgeven, we zijn het hem toen gaan vragen. Mijn vader kon het eigenlijk niet meer aan, nl dat inkopen, en al die bonnen, de melk was toen nl op de bon, eigenlijk wilde hij er wel van af. Zodoende zijn we weer terug naar Berkel gekomen.
Is jouw man niet ondergedoken geweest?
Nee, er kwamen wel eens soldaten langs voor een razzia, maar de oude Torre kwam ons altijd waarschuwen. Op een zondagochtend kwamen ze ook eens langs, het was nog voor kerktijd, twee soldaten aan de deur, je moest de deur wel open doen anders trapte ze hem in. Maar dhr. Eldering van het gemeentehuis, die veel werk gedaan heeft voor het verzet, had mijn man zijn persoonsbewijs, op veertig jaar gezet, terwijl hij nog geen dertig jaar was, wel heeft hij in die tijd zijn baard laten staan, zodoende zag hij er wat ouder uit, ze hebben er toch genoegen mee genomen. Wij woonden toen nog in de stal, vader en moeder woonden nog voor, ze kwamen bij ons binnen en warmden zich aan de kachel, de een aaide Aad (toen een klein ventje) over zijn bollletje, en zei tegen mijn man dat hij maar binnen moest blijven, na een tijdje zijn ze weer weggegaan.
Je man heeft toen de zaak verder uitgebreid?
Ja , maar hij had nog geen papieren om melkboer te mogen zijn, hij is toen samen met Arie van der Voort naar Rotterdam gegaan om er een cursus voor te volgen, ze hebben maar een paar cursussen gevolgd, want toen de oorlog uitbrak, ging die cursus niet meer door, daar de leraren thuis bleven. De instantie heeft er toch genoegen mee genomen, want ze hadden hun best ervoor gedaan.
We moesten toen wel de zaak verbouwen naar de eisen van die tijd, er kwam ook een koelkast, en tevens werd er een winkeltje geopend.
Dhr.v. d. Beukel merkt op!
Herman v. d. Drift zei altijd, bij Van Herk had je altijd de beste melk, die was altijd heerlijk koel. Ja dat kwam zo, mijn vader had een “WEL “ laten slaan, er konden precies drie bussen melk in, je moest dan het grondwater oppompen. Wanneer we s’ avonds op de bank zaten, zei hij tegen mij pomp jij ook er eens,
Je had toen net het idee dat het s’ zomers altijd mooi weer was. De melk was s’ morgens altijd heerlijk koel wanneer hij ging venten, warme melk was zo vergaan. Om zes uur ‘s morgens ging hij al bij Van der Burg de melk halen, daar zij om vier uur al gingen melken. Hij ging ook wel eens melk halen bij Kees van der Burg, dit was nog een ouderwetse boer, die zijn hooi op ruiters liet drogen.
Had je man ook een paard en wagen?
Ja daar heeft hij lang mee gereden, hij was nl een boerenzoon en hij hield van paarden. Maar in de oorlog was dat wel eens een probleem, dan moest hij wel eens een paard lenen. Zo kreeg hij ook eens een paard dat helemaal verwaarloosd was, hij heeft het dier bij Leen Uitenboogerd op stal gezet en het goed verzorgd, het kwam er weer bovenop, hij heeft er nog jaren mee gereden.
Mijn man heeft uiteindelijk toch zijn rijbewijs gehaald, want de mensen gingen klagen als het paard voor hun deur plaste bleef het zo lang stinken. De jongens zeiden het ook al, dat hij een auto moest gaan kopen. Hij heeft toen zo’n busje gekocht waar de kannen achterop stonden en zo de melk uit kon pinten.
Een paar jaar na de oorlog werden er overal huizen gebouwd, dan moest je gauw bij de mensen gaan vragen of je de melk mocht leveren, anders was een andere melkboer je voor, want die probeerde met een flesje yoghurt of slagroom de klanten te binden.
Ook kregen we al gauw na de oorlog fabrieksmelk uit Overschie, daar gingen de boeren hun melk afleveren. Ze kwamen de melk ‘s morgens vroeg brengen, als we dan de auto bij van Zanten hoorden lossen ging mijn man het bed uit, dan was hij aangekleed, en kon hij de melk ontvangen. In die tijd kregen we ook de gortepap in flessen.

Hoeveel kinderen hebben jullie gekregen?
Vijf kinderen, vier jongens en één meisje. Twee jongens zijn ook nog melkboer geweest, de twee anderen hebben een ambachtsschool gevolgd.
Aad had al een paar jaar verkering, mijn man kon het werk al niet goed meer aan, en wilde een huisje op de bleek zetten, maar de dokter raadde hem dat sterk af, dat moet je niet doen, de zaak moet je aan je zoon overlaten.
We hadden aan de Sportlaan nog een stukje land, Hermes heeft daar toen een huis gebouwd, maar zoon Piet die toen bij Hermes werkte, die heeft avonden en al zijn vrije tijd opgeofferd om het huis af te bouwen, hij was toen twintig jaar.
In juli 1965 zijn we daar gaan wonen. Toen later mijn man in een rolstoel kwam te zitten, raadde zoon Piet ons aan op het dorp te gaan wonen. In die tijd begon men met de bouw van een paar mooie appartementen, waar hij de opzichter van was. Mijn man wilde graag aan de zonzijde wonen, en gelijkvloers, hij had graag contact met de mensen, en dat kon hier goed. We wonen hier al
weer twee en twintig jaar, mijn man heeft hier nog vijf jaar met veel plezier gewoond. In de Sportlaan zat je van Jan en Alleman verlaten, hij telde daar de mensen die naar het zwembad gingen.
En nu is het tijd voor een bakkie thee.

8 juli 2005 Johan Koot