I Oud Berkelnaren vertellen: Mevrouw Both

Mevrouw Wil Both, oud 96 jaar, 3 september 2004, Hergerborch 

In 1911 kwamen we, vader, moeder, mijn broers Eef en Paul, en mijn zusters Truida, Jaantje, en Riena. (op 12 jarige leeftijd overleden) en ik uit Oud – Beijerland (toen nog Oudbeierland) naar Berkel en Rodenrijs. Met vele andere, want in de Hoeksewaard was er in de winter geen werk. In Berkel wel, want daar was omstreeks 1900 de tuinbouw ontstaan. We kwamen te wonen aan de Rodenrijseweg (nu nummer 535) in een van de vier arbeidershuisjes, die Dirk Steenwijk, destijds een rijke boer, had laten bouwen.

De vrouw van Dirk Steenwijk was er een van de familie Zonneveld. Zij heeft haar neven Jan en Klaas Spek aan een tuinderij geholpen aan de Rodenrijseweg.

Jan naast zijn woning (nu) nummer 549 en Klaas naast zijn woning (nu) 547.

Mijn vader ging als tuindersknecht werken bij Klaas Spek.

Wij gingen naar de Hervormde School in de Kerkstraat. Een uur lopen over een weg vol gaten en met los gruis. In het midden een paardenstraatje en aan weerskanten schuin aflopend kolengruis, zodat je altijd scheef liep. Ik had altijd kapotte en zere voeten. 

Toen in 1916 de school aan de Oude Bovendijk werd geopend, stuurde mijn vader ons dan ook meteen daarheen. Prompt kreeg hij bezoek van een ouderling uit Berkel, die vond dat met een hardere opvoeding de kinderen best naar Berkel konden blijven lopen. Bovendien hoefden ze dan maar twee keer te lopen tegen nu vier keer (twee keer een uur tegen vier keer een kwartier). “Ze heeft nu geen zere voeten meer”, was het antwoord van mijn vader.

Toen ik elf en een half was eindigde mijn schooltijd. Ik moest thuis helpen omdat mijn moeder erg ziekelijk was. Sommige burgerkinderen, zoals we de boeren - en tuinderskinderen noemden, gingen nog wel twee jaar door, naar Pynacker bijvoorbeeld, maar voor ons was dat niet weggelegd. 

Op een dag kwam vader thuis met een verhaal. Arie Zonneveld had al zijn geld in Russische aandelen belegd. Die waren plotseling niets meer waard, zodat Arie arm was geworden. Uit woede dat de mensen die hij (Zonneveld) op de been had geholpen (Spek) het nu beter hadden dan hij, had hij in de tuin waar mijn vader werkte (van Klaas Spek) alles kort en klein geslagen. 

Thuis zorgde ik voor vader, moeder, en de anderen. Dat was veel werk. De muren van het huis waren eensteens, waardoor het binnen altijd erg nat was. Het beddengoed uit de bedstee, die tegen de buitenmuur aanlag, moest vaak gelucht en gedroogd worden. De dokter zei eens: “Hoe kan een mens hier nu beter worden?”

Ik ben nooit getrouwd. Eef heeft nog wel, tegen de zin van vader, drie jaar verkering gehad. Zij kwam uit Overschie. Onder het bijbellezen ’ s middags zat zij altijd gekheid te maken, tot ergernis van vader. Daarna is Eef vrijgezel gebleven. We hebben altijd samen gewoond. Bij de katholieken was bijbellezen niet gebruikelijk In die tijd, was het met de  katholieken altijd ruzie.

Het witte huis aan de overkant? Dat stond er al toen deze huizen werden gebouwd. Hannes Vogelaar heeft het laten bouwen. Hij heeft er, naast zijn tuinderij, altijd met zijn huishoudster gewoond. Later heeft Dorus Treurniet – zijn moeder was een zus van Hannes Vogelaar- er nog gewoond en getuind. 

Hoe de groenten toen naar de veiling gingen? Per schuit. Mijn broer werkte ook bij Spek, die behalve tuinder ook boer was met veel varkens. Spek was ook handelaar. ’ s  Zomers voer mijn broer de groenten naar de veiling. Spek kocht in Zeeland bij de boeren aardappelen, die ’ s winters per schip naar de Rotterdamse haven werden gebracht. Daar haalde mijn broer ze met de schuit op, over de Zwet en de Schie. Om onder de bruggen van de  Oppert en de Hoogstraat door te kunnen moest hij op zijn rug gaan liggen om zo de schuit er onder door te trekken. Alles ging met de hand, met de boom. Zelfs in het pikkedonker. Als hij thuis kwam was hij gebroken.

Mijn ander broer, Paul, heeft gewerkt op de tuin van Piet Bak aan de Oude Bovendijk. Later kon hij aan de veiling meer verdienen, hij werd daar fustmeester ( 1 april 1948 was hij daar 25 jaar in dienst ). Op zijn 27ste  is hij getrouwd. De woningnood was groot, aan geld was niet te komen, zeker niet voor een tuindersknecht. Toch heeft hij met iemands hulp op de Bonfut een huis kunnen bouwen.

Al die jaren is er woningnood geweest. De Bogerdmanhuizen boden even wat verlichting. De Bogerdmanhuizen waren de huizen in het Rodenrijs voorbij het spoor, waar Dorus Heezen, de kapper, heeft gewoond, daar waar nu de flessenhals is.

Waar wij woonden was het net de Toren van Babel. In die vier huisjes woonden mensen uit alle streken. Zeeland, Overmaas enz. Er was hier bij de tuinders namelijk zowel ‘s zomers als ‘s winters werk en dat was in die tijd erg belangrijk. Ook de broers van mijn moeder zijn naar Berkel gekomen. Zij gingen wonen waar nu het Tuinpad is. Die huizen zijn gebouwd door Izaak en Wim Havenaar voor hun personeel. Zij waren de eerste komkommertelers van Berkel. 

Onze huisbaas kreeg subsidie om onze huisjes te verbouwen. De bedstee werd er uit gebroken en er kwamen nieuwe ramen. Ik zei tegen de huisbaas: “Alles goed en wel, maar nu ga je zeker ook de (natte) muren verbeteren?” Helaas daar kreeg  hij geen subsidie voor. Ondanks alles is er in onze familie nog nooit iemand zo oud geworden als ik nu ben. Dat is toch een voorrecht. 

Vroeger werd er geteeld onder platglas. De Spekken, de Vogelaars, allemaal platglas.

Waar nu de Vogelaarstraat is lag vroeger de tuin van Vogelaar, de vader van lange Krijn. Die is toen gaan tuinen waar nu de Warmoezerij is. Op de onderweg (Westersingel) heeft hij ook nog een rijtje huizen gebouwd. 

In het Rodenrijs hebben altijd de Spekken gezeten, Nic van Aldert, Nic van Jan, Nic van Klaas en Piet van Jan.

Wil Both in gesprek met Johan Koot.  

Huis fam. Both

Dit is het huis waar de Fam. Both ging wonen toen ze in 1911 vanuit Oud- Beijerland naar het Rodenrijs kwamen.