II Oud Berkelnaren vertellen: Piet Hijdra

Petrus Hijdra is geboren te Berkel en Rodenrijs op 6 februari 1903
Samen met zijn dochter Jacoba ( Coby ) 66 woont hij op de Noordeindseweg 278

Hij vertelt mij zijn levensverhaal, bijgestaan door zijn dochter, aan de hand van stapels foto’ s. Vele tientallen namen van streek - en tijdgenoten, met alle dwarsverbindingen, doorspekken hun relaas.     

Als schooljongens zwierven we door het Noordeinde. Hijdra

We woonden in de zwarte kousenbuurt. Bij de boerderij van oude Leen Schinkel waar we veel speelde er ging dan steevast het raam open en we kregen van de boerin ieder een boterham met zelfgemaakte zoete kaas. Dat was voor ons een feestmaal, waar we erg groos mee waren.

Mijn eerste baan was bij de Gebroeders Arie en Gerrit Greeve. Zes jaar heb ik daar gewerkt. Ze hadden 4000 ramen platglas de tuin lag aan de dijk. Ik heb daar wel leren werken. De Gebroeders Greeve waren erg kerks. In de winter mocht ik naar de vroegmis van zeven uur, en als ik daardoor wat later op het werk kwam was dat niet erg.

Daarna ben ik gaan werken bij Jan Sijmen (van der Burg), eigenlijk mijn verdere arbeidsleven lang, hoewel niet altijd onafgebroken. Jan Sijmen was een van de grootste tuinders van de streek, hij had 1000 ramen koude kas en 4000 ramen platglas, hij teelde platglas komkommers, en voor de mest had hij 4 grote hokken met varkens. Omdat er in die tijd nog geen bestrijdingsmiddelen voorhanden waren, moest ik de grond van dat platglas een keer per jaar “ delven”. (Zo heette het, twee of drie spaden diep onderspitten van de bovenlaag, waardoor de schadelijke kiemen verstikten).Ik heb dat, in mijn eentje, nog jarenlang bij hen gedaan, ook toen ik al lang ergens anders werkte. E Jan Sijmen was een herentuinder. Als ik stond te spitten, en dat was heel wat keren, zat Jan Sijmen op een kist pijprokend toe te kijken. Ik heb hem eigenlijk nooit zelf zien werken. Alleen later toen hij tomaten teelde, stond hij altijd aan het wiel te draaien van de tomatensorteerder, dit was een Treurniet sorteerder.

Als er geen werk was, konden we terecht bij de Werkverschaffing, vóór de oorlog. Er moest bijvoorbeeld een groot stuk land worden gedraineerd. Met een smalle schop groeven we sleuven, waarin de draineerpijpen werden gelegd, zonder kragen, er werd turfmolm opgedaan en de sleuven dichtgegooid.

Bij de Werkverschaffing verdiende ik wel iets minder dan bij Jan Sijmen, maar daar stonden vaste werktijden tegenover.

Bij een tuinder of bij een boer kon je wel aan een weekloon komen, maar op uren werd niet gekeken, ’ s zomers werkte je van  4  tot ‘ s avonds 7 uur. Het werk moest af, tegen een vast loon.

Jan Sijmen was, voor zover ik weet, in de wijde omtrek de enige, die zijn arbeiders van twaalf tot half twee gelegenheid gaf om thuis te gaan eten. Zomer en winter, hij is daar nooit vanaf geweken. Als we moesten gaan stemmen, deden we dat in die schafttijd, en kwam je dan iets later op je werk, vond hij dat niet zo erg. Later kon je ook ’ s avonds je stem gaan uitbrengen.

Werken deed je eigenlijk altijd. Hetzij bij je vaste werkgever, hetzij bij de Werkverschaffing, maar ook bij de boeren als het oogsttijd was. Met pikhaak en sikkel en daarna het binden van de schoven. Ik heb werken geleerd. ( de dochter merkt op dat je er kennelijk oud mee kunt worden).

In mijn vrije tijd knutselde ik allerlei apparaten in elkaar, die ik dan verkocht.

In de oorlog heb ik eens een spinnewiel gemaakt, waarop ik de schapenwol tot draden spon, waaruit de vrouw kleding voor de kinderen van breide. Mijn handen hebben nooit stilgestaan.

Er volgt een eindeloze reeks namen, die opkomen bij het doorspitten van de vele, vele foto’ s. De lokale geschiedenis van een eeuw ontrolt zich moeiteloos. Wat hij niet meer weet vult zijn dochter aan en omgekeerd. Het klassieke gespreksonderwerp van menig tafelgesprek. Mien van Koos van Gerrit, getrouwd met Henk van Klaas van Joop. Onuitputtelijk.
Voor een buitenstaander (import) voldoende om zich te identificeren met een illegaal, die de taal niet spreekt.

Jan Sijmen jaagde veel, ik ging dan vaak met hem mee op jacht, hij droeg dan mijn geweer want ik had geen vergunning, mijn dochter wist niet eens dat ik een geweer had. Ik schoot nooit op hazen, wel op eenden, als ik zelf op jacht ging, zonder vergunning. Eenden moest je uit de lucht schieten, dat was meer sport. En de hazen, die waren voor de baas. 

De tuinproducten moesten per schuit naar de veiling worden vervoerd, altijd over lange afstanden. Een enkele tuinder had zelf zo’ n schuit, anderen huurden er een. Later voeren die zelfs op een motor, maar in het begin was dat niet zo.

Er is veel veranderd. Je had vroeger tuinders, die loon inhielden als de knecht naar de kerk moest, of wilde gaan stemmen, maar ik heb altijd werkgevers getroffen die daar niet moeilijk over deden. Ik heb gewerkt als een paard, maar wel altijd kunnen werken. Het heeft me geen kwaad gedaan. Ik kijk terug op een rijk leven. En ik ben er 101 mee geworden. En nog is het niet gedaan.  

Dit interview heb ik, Johan Koot, namens de Historische Vereniging Berkel en Rodenrijs gehouden. 

Hijdra

Vooral in het najaar en de winter werd alles met de hand gespit.
Ook op deze foto is dat het geval, hier staat Piet Hijdra zijn vader erbij.