III Oud Berkelnaren vertellen: Gezusters Klapwijk

In het kader van de serie “ Gesprekken met oude Berkelaren “ ben ik vandaag te gast bij de gezusters Klapwijk, Rodenrijseweg 100. De linden met zijn karakteristieke dwarstakken, die bij de bouw vóór het statige witte huis werd geplant is honderdtwintig jaar oud en nog springlevend. In de woonkamer zetelen “zeg maar “ Teuntje, 96 jaar, en Alida, 88 jaar. Beiden net zo springlevend, naar lichaam en geest.
Aan de kamer grenst de opkamer, via een trapje te bereiken met behulp van een verticale stang. Onder die opkamer bevond zich in de oorlogsjaren een ruimte, bereikbaar via een luik, waar onderduikers zich konden verschuilen. Twee broers ( Anton en Piet ) en twee andere onderduikers vonden daar veiligheid.
Teuntje doet het woord, hier en daar aangevuld door Alida.

Ik ging naar school in Berkel, bij de houten kerk, daar waar nu de Ark staat, tegenover het huis van Van Tilburg. Tot mijn twaalfde liep ik die afstand op de schuin aflopende weg, op klompen. Je was dolgelukkig als je mee mocht rijden met de meelwagen van Treurniet. Als de koetsier het niet gelegen kwam sloeg hij je er met de zweep af. Ook reden we wel eens mee met het koetsje van jullie pastoor, als de koster hem naar het station had gebracht. Of met Arie Schippers, tuinder bij de Berkelse Tol, als die zijn vrouw naar de trein had gebracht.
Vervolg onderwijs kwam niet ter sprake, want de negende was op komst, dus thuis was er werk aan de winkel.

Ik heb iets gehoord over een cachot? Ja dat bevond zich schuin tegenover de Nieuwstraat, waar nu parkeerplaatsen zijn, naast het brandspuithuisje, tegenover het bedrijf van Van Tilburg. Als er iemand in zat bonkte wij op de deur.
Het was een harde tijd. Tuindersknechten begonnen om vijf uur. Ik herinner mij Van der Gaag, die helemaal krom liep, maar nooit verzuimde. Ikzelf was altijd om half vijf wakker om mijn broers te wekken. Als de wind dan aan was kon je dieren van Diergaarde Blijdorp hier horen, zo stil was het dan. Mijn vader heeft ’t Hofje gebouwd voor personeel. Dat zijn de zes woninkjes naast het terrein van In ’t Veen. Meestal bevond zich om de huisjes van personeelsleden een flinke lap grond, waarop het voedsel voor eigen gebruik kon worden geteeld. Voor de winter werden de groentes in weckpotten of in het zout gezet. Dat personeel kwam veelal uit Overmaas naar hier om in de tuinbouw te gaan werken, die rond 1900 hier is ontstaan.
Mijn vader had serres, waarin hij druiven teelde. Dagen lang moesten wij ‘krenten’, geholpen door meisjes uit Pynacker, die voor een kwartje per uur daar graag voor over kwamen. Mijn grootvader kwam uit een groot gezin. Als jongetje van negen jaar werd hij ‘uitbesteed’ bij een oud-gereformeerde boer, waarna hij het contact met zijn familie verloor. Daar vandaan kwam hij als koetsier en pillendraaier te werken bij een dokter. Toen ging hij op de fiets lapjes verkopen langs de deuren, later begon hij een kledingwinkel in de Kerkstraat. Zijn zoon Piet heeft de winkel overgenomen. Tenslotte ging hij tuinieren naast Van Aalst de boomkweker in de Kerkstraat. Zo kwam het dat mijn vader zijn leven lang tuinder is geweest in het Rodenrijs. Naast druiven teelde hij ook groenten, die eerst per schuit, en later met paard en wagen, naar de Rotterdamse veiling werd gebracht. Op Zestienhoven (Bovendijk) moesten veel hekken worden gepasseerd. Dat was lastig. Ook de tuinders uit de Oude Leede kwamen daarlangs. Er werd wel eens vergeten de hekken te sluiten, zodat de koeien door elkaar begonnen te lopen, je kan je de boosheid van de boeren wel voorstellen. De tuinders uit de Oude Leede, die met de schuit voeren kwamen wel eens pas ‘s nachts thuis.

Toen eenmaal de spoorlijn was aangelegd is de veiling het Rodenrijs gekomen, hoewel de Berkelaren die liever bij hen hadden gezien. De trein was een nieuwtje, dus kwamen de Rotterdammers per trein naar Rodenrijs. Dat koste toen een kwartje. Ze gingen dan lopend weer terug naar huis. Er kwamen ook wel mensen uit de stad langs de deur met muziek, kaarten en zo meer, om hier wat bij te verdienen. In de oorlog(WOII) kwam er geen druif of krop sla aan de veiling terecht. Alles werd uit de hand verkocht aan Rotterdammers, die met de trein naar Rodenrijs waren gekomen voor een wandeling langs boeren en tuinders. Onze prijzen waren fatsoenlijk, zodat wij, anders dan een aantal woekertuinders, geen belastingaanslagen kregen opgelegd.
Door en voor onderduikers werd veel illegaal geslacht. Een enkeling verraadde dat wel eens, maar over het algemeen heerste er in het Rodenrijs een grote eensgezindheid. Gezien mijn leeftijd heb ik ook WO I meegemaakt. Ik herinner mij, dat er eens een kar met zeekaken, bestemd voor de soldaten, van de weg raakte en kantelde. Wij gingen die rapen.
Wij zongen in een koor. Geen kerkkoor, maar een gemengd koor. ( Alida geeft als commentaar: “ Ze zingt nu alleen nog maar de zwanenzang”).

Mijn vader die in het bestuur van de veiling terecht kwam, is zeventig jaar geworden. Ik durf bijna niet te bekennen dat ik zesennegentig ben, want dat kwam vroeger niet veel voor. Het is overigens geen verdiensten. (Alida valt in: “Haar grote verdienste is dat zij altijd voor vader en moeder heeft gezorgd”).
Als kinderen werkten wij natuurlijk veel in de tuinderij, zoals walletjes wieden.
Ik weet nog dat we voor eigen gebruik niet aan de goede sla mochten komen, die was voor de veiling, de verlepte sla waren voor ons. Ons waswater kwam uit de regenput, maar wij hadden het geluk dat we beschikten over een waterfornuis. Dat kostte wel een dag stoken, maar het was wel luxe. We hebben hard gewerkt. Nog steeds, het zit er in gebakken, word ik half vijf wakker. Toch is er veel veranderd. Het dorp is het dorp niet meer, het brood haalt het niet meer bij vroeger en zelfs de boerenkarnemelk smaakt niet meer als toen. De Nieuwstraat was vroeger een doodlopend straatje, aan het eind stonden kassen. Je kon niet van de Kerkstraat naar de Nieuwstraat lopen.
De gezusters Klapwijk doen mij verzuchten: Mocht ik op deze wijze, zo helder, zo vitaal, hun leeftijd bereiken.
Johan Koot 2004.

In dit huis aan de Rodenrijseweg 100 zijn de dames Teunie en Ali Klapwijk geboren, en wonen ze aan de dag van vandaag nog.