IV Oud Berkelnaren vertellen: Kees de Bruin

C. M. J. ( Kees) de Bruin, 89 jaar, vertelt:

Tien jaar hebben we gewoond in een van de rijen bejaardenwoninkjes achter huize Petrus. Toen die werden afgebroken voor nieuwbouw zijn we anderhalf jaar ondergebracht in een flat aan de Anthuriumsingel. Vier jaar geleden betrokken we deze ruime luxeflat achter de met een glazen wand afgedekte galerij achter huize Petrus. Mijn vrouw zegt, dat je het nog nauwelijks bejaardenwoningen kunt noemen. We kregen F. 5000,-- voor de inrichting en vijf jaar een lage huur. Over een jaar gaan we de volle mep betalen, maar zelfs dan zal de huurprijs laag zijn. Of dat ook voor nieuwkomers zal gelden, die immers niet tot verhuizing werden gedwongen, weet ik niet. Mijn vrouw was met het kleine huisje daarvóór eigenlijk heel tevreden, precies pas voor twee mensen, zeg maar.

We zijn allebei in Berkel geboren. Mijn vrouw op de Noordersingel, en ik in het
Noordeinde. Als baby verhuis ik naar het Rodenrijs, dicht bij de Bonfut. Je liep op klompen, stikkezakkie op je rug, het hele eind naar school in Berkel, over het paardenpad. Links lag de vaart, rechts een sloot. Ik weet nog dat Joost Streng uit Bleiswijk, die met manufacturen reed, een keer met zijn auto in die sloot terecht kwam. Dokter Moet was de eerste die in Berkel een auto had.

Mijn broer Jan is zes jaar jonger dan ik. Die begon dus naar school te lopen, toen ik eraf kwam. Mijn vrouw heeft doorgeleerd, die ging na de lagere school nog een paar jaar naar de naaischool. Zij ging daarna vijf jaar lang in betrekking voor dag en nacht, voor F. 5 per week. Om de veertien dagen had zij een vrije zondag. Toen we eenmaal verkering hadden,(haar mevrouw zei: “ als jouw moeder het goed vind, vind ik het ook goed”) mocht zei zaterdagavond met me uit. Ik ging na de lagere school meteen werken, want mijn vader verhuurde mij aan De Vogel voor werk in de tuinderij: daarnaast had hij ook een klein kolenzaakje.

Mijn vader was in die tijd te ziekelijk om voor een inkomen te zorgen. Daarom moest mijn moeder rond komen van drie gulden ondersteuning van de kerk, die zij (in koperen centen) per week kreeg uitgekeerd. Mijn weekgeld bij De Vogel bedroeg zeven gulden( van vijf uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, zes dagen per week), zodat mijn moeder opeens steenrijk was.

Toen ik zestien was plaatste De Vogel mij op de kolen. De tuinders gingen steeds meer kolen stoken. Een mud eierkolen kostte f 9 en een mud antraciet f 10. Wij haalden die op de Ceintuurbaan, want daar was een mud een dubbeltje goedkoper. Op mijn achttiende haalde ik mijn rijbewijs, waarna ik fulltime in de kolen kwam te werken. Dat was een grote vooruitgang, want in de tuinderij kreeg je f 17 in de week, maar ik kreeg f 27 én interessanter werk. De enige aanrijding die ik ooit heb gehad was op de Bonfut met Piet van Dam.

Later kwam de cokes. Die haalde we aan de Keileweg, waar nu de dames hun geld en drugs verdienen. Sommige tuinders haalden de cokes zelf per schuit vanaf de Spoorhaven in het Rodenrijs, waar ze per trein werden aangevoerd en via een soort glijbaan in de schuit werden geladen. Toen er eenmaal meer vrachtauto ’s kwamen was dat gauw over. Wij hebben daar ook geladen, een wagon kolen was 20 Ton, wij moesten ze in de auto scheppen, en bij de tuinder weer lossen, hetzij in Lorries, of zo op de grond, wanneer we nu één wagon gelost hadden, hadden we wel 40 Ton kolen verschept. We bezorgde in de stad ook kolen bij particulieren in zakken van één mud (70 kilo), soms wel drie, vier hoog. Later werden het papieren zakken van 10 kilo. Die zakjes kosten twee keer trappen klimmen, maar daar stonden, anders dan in het dorp, vaak flinke fooien tegenover. Het is echt een slag om met die zware zakken om te gaan.
Mijn broer Jan wilde geen rijbewijs halen, hoewel dat in die tijd, met een stukje kaas en een pakje boter, geen heksentoer was.

Van de 52 jaar bij De Vogel heb ik 35 jaar met plezier in de kolen gewerkt, warvan 17 jaar met de baas, zijn zoon Co. In de slappe tijd, de zomer, werkten we in de tuinderij, maar kolen hadden onze voorkeur. De tuinderijen bestonden eerder toen nog allemaal uit platglas. De mest kwam van de varkens, die de tuinders tot dat doel hielden.
Toen op 10 Mei 1940 de oorlog uitbrak, Alie hoorde ’s nachts al die vliegtuigen, en zei dit tegen haar baas, die zei, nu kan ik het tomaten plukken wel vergeten. Die eerste dag heb ik nog een vracht kolen gehaald aan de Keileweg, toen nog met de auto. Benzine kostte in die tijd 45 cent, maar bij Hogervorst een cent minder. Toen later de benzine opraakte, net als de kolen, behalve bij ons, gingen we over op paard en wagen.

Aan de Bonfut lag een Duits kamp. Daar reden we voor naar het Westland voor groenten, en naar Scheveningen voor vlees. Meestal reden er dan twee soldaten mee, die op de terugweg druiven zaten te eten zonder dat wij iets kregen. Soms reed er een Oostenrijker mee, die ons wel eens wat vlees toe stopte.
In die tijd ben ik ondergedoken geweest, anders moest ik in Duitsland gaan werken. Ik was ondergedoken bij mijn moeder thuis. Bij onraad legde ik een plank over de sloot achter het huis, zodat ik me bij De Vogel in de tuin kon verstoppen. In de tuinderijen werkten nogal wat onderduikers, bij De Vogel en bij Pannekoek aan de Zuidersingel bijvoorbeeld. Wij woonden toen in een van de punthuizen aan de Zuidersingel. Een keer was ik een avondje thuis, toen er opeens twee Duitsers aanbelden. Foute boel, dachten we, maar ze kwamen wat aanmerkingen maken op de verduistering, die overigens bij de buren niet klopte. Een opluchting.

Jan Rozendaal, de bekende verzetsman, vroeg ons een keer voor ziekenhuizen (met 10% voor de onderduikers) naar Groningen te rijden voor eten. Dat hebben we zes keer gedaan, op kolengas. We konden niet harder dan 40 tot 50 kilometer per uur. Achter de cabine stonden twee ketels. In één daarvan werden kolen gestookt, die stond in verbinding met de andere ketel, waarin het rookgas werd gezuiverd, die dan de motor liet lopen. Al waren wij zelf onderduiker, we hadden voor die ritten de goede papieren. Bolle Gerrit (van Kaaden) was vrijgezel. Als hij meereed had je altijd avontuur. Zo beleefde we spannende ogenblikken toen we bij Zwolle werden gecontroleerd, terwijl hij onder de lading een paar ondergedoken Rotterdammers had verstopt, wat overigens goed afgelopen is. Of die keer dat we onderweg aangehouden werden, twee Duitse soldaten stonden met hun vrachtwagen met pech langs de weg, zij vroegen ons om hen mee te slepen, wij hadden echter geen ketting, zij wel, Gerrit bond de ketting aan onze achteras vast, en legde het andere eind over hun vooras, hij zei tegen mij, als ik een seintje geef, vol gas vooruit, dat er geen kogels op ons afgevuurd zijn is niet te begrijpen.

Toen mijn vader, die in Venray woonde, gestorven was, gingen Jan en ik daarheen om hem te begraven. We gingen per fiets naar het Centraal Station in Rotterdam. Daar kregen we opeens luchtalarm en gingen we de schuilkelder in. Toen het alarm was afgelopen was onze trein al vertrokken en we moesten een volgende trein naar Venray nemen. Later hoorden we dat die gemiste trein was gebombardeerd. Nou dan word je wel even stil.

Bij De Vogel heb ik ook nog tien jaar constructiewerk gereden, kranen en dat soort werk. Dat was luxe, want die machines hoefde je niet te sjouwen zoals kolen. Je werd er ook niet vuil van. Dat was in de kolentijd wel anders. Mijn kleren waren zo vuil, dat mijn vrouw besloot ze zwart te verven, want met wassen alleen kreeg je ze niet toonbaar. We hebben ook nog een tijd olie gereden, enfin, wat al niet.

Van de Zuidersingel, waar we vier gulden huur betaalden, verhuisde we naar de Noordersingel. Dat zat zo. Alie haar moeder was gestorven en wat moesten we met haar vader aan? We zijn toen verhuisd naar zijn huis aan de Noordersingel en vader bleef bij ons inwonen. We wilden het huis wel kopen, toen de verhuurder, pastoor Van Leeuwen, overleed. Die had het rijtje huizen daar gebouwd en verhuurt tegen maximaal f 2,75. Frank Cobus(v.d.Burg) vertelde, dat de pastoor in zijn testament had bepaald, dat de huizen alleen mochten worden verkocht via een veiling. Schilder Soeterbroek kocht ons huis voor f 1100 en hij bood het ons voor die prijs aan. We hadden in die tijd zeven kinderen en we durfden het niet aan, zelfs niet met een renteloze lening van mijn baas. Alie zei: ” stel je voor dat je mot krijg met je baas. We gaan de schuld in en we komen er nooit meer uit”. Maar Soeterbroek zei, dat het geen schuld was maar bezit. Tenslotte bood de Boerenleenbank uitkomst. Van de kinderbijslag konden we per kwartaal f 50 aflossen.

Het was een mooie tijd. De WC stond achterin de tuin, van een douche was natuurlijk geen spraken. Als het donker was moest ik de meisjes naar de WC begeleiden. De gemeente gaf subsidie aan ieder die zijn huis verbeterde met een serre of een dakkapel of een voordeur. Dat hebben we toen gedaan.
Mijn oudste zoon, die bronchitis had, sliep bij opa in een kleine kamer, tot dat van de dokter niet meer mocht. Na 10 jaar is opa bij zijn dochter Riet gaan wonen, in de beste harmonie. Iedere middag kwam hij bij ons op bezoek. Hij was een fijne vent, hij ging soms hele dagen met mij mee.

De Vogel had in Amersfoort een hele berg kippenmest gekocht, we hebben er twee maanden voor gereden, met twee vrachten per dag, die we bij de tuinders brachten. We schepten de mest op een transportband, en lossen deden we door te kiepen. Al met al heeft mijn baas daar goed aan verdiend.

Soms gingen we twee keer per jaar uit, met een schuit van Lamens of Seldenthuis. Met hele gezinnen voeren wij dan bij wijze van vakantie heen en weer naar Scheveningen. Een schuit met een motor, denk je eens in wat een weelde. Het koste ons vier gulden en dan waren we ’ s avonds om tien uur weer thuis. Het was altijd een groot feest.

Toen ik 25 jaar bij De Vogel werkte kreeg ik een horloge. Bij 40 kregen we een nieuwe keuken, niet op de kosten letten. Bij 50 konden we kiezen tussen een reis naar Canada, waar Co naar toe was geëmigreerd of een zo goed als nieuwe auto. Een reis is gauw over, het werd dus een auto, ik heb nog acht jaar lang gratis mogen tanken.
Och het is maar een greep. We hebben een rijk leven gehad, en zie hoe we nu leven. We zijn dankbaar.

Johan Koot 16 november 2004

P.S. Kees wordt 9 Juli 90 jaar en Alie op 23 september 88 jaar.

De Bruin

Kees de Bruin voor de eerste nieuwe Diesel vrachtwagen van Piet de Vogel, de laadbak is gemaakt door Van Woerkom. De wagenmaker naast de smit, Gebr. van Wijk.