V Oud Berkelnaren vertellen: Mevr. Luijt- Hensen

Mevr. Luijt- Hensen vertelt:

Izaák Havenaar was in de oorlog tuinder aan de Klapwijkseweg in Berkel en Rodenrijs. Mensen uit stad kwamen regelmatig langs voor eten. Tomaten en komkommers waren welkom. Op een keer kwam er een vrouw uit Schiebroek langs. Izaák was een gevoelig mens, vooral als het om vrouwelijk schoon ging.
Hij nodigde haar binnen om thee te gaan drinken met zijn vrouw Riet.

Mevr. Luijt- HensenZij heette Joke Hakman, haar man was ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. Zij kwamen eens per week langs, vaak samen. De Havenaars vonden het wel een aardig stel. Ze boden aan om bij hen te komen inwonen. Tot na de oorlog zijn zij gebleven. 0ok mensen van de -TROUW - groep, toen een verzetskrant, kwamen geregeld in Huize Havenaar, beter bekend als “Riet van Berkel”, vergaderen en eten.

De ondergrondse brachten er op een keer twee piloten, Joseph Walker en Ralph Casstevens, die bij een wapendropping waren neergeschoten, die twee konden er ook nog wel bij. Gevaarlijk was het natuurlijk wel. Want voor het verbergen van geallieerde militairen gold slechts één straf: de kogel. Op een keer werd er een huiszoeking gedaan. De jassen van de piloten hingen in de gang aan de kapstok. Riet Havenaar en Joke Hakman gingen voor de jassen staan de Duitsers hebben echter niets gemerkt.
Eén van de piloten, Joseph Walker, werd ziek, de dokter moest komen. Dokter Hoogerbrugge werd niet helemaal vertrouwd en daarom werd dokter Nijsten erbij geroepen. Die is toen gekomen en heeft Joseph een middeltje gegeven waar hij veel baat bij had. De andere dag was de koorts al aanzienlijk gedaald. Dokter Nijsten stuurde later wel een gepeperde rekening.

Daar de onderduikers gewoon in de huiskamer verbleven leerde Izaak hen bij het licht van een carbidlamp de mannen klaverjassen en zwikken ze werden al gauw meesters in het stiekemMevr. Luijt- Hensen onder tafel doorgeven van kaarten.
Er was maar één moeilijkheid, beide mannen kenden geen angst. Ze bleven hun leren vliegjacks dragen, sloten zich aan bij de ondergrondse van Berkel en Rodenrijs en droegen altijd een pistool op zak. Ze maakte er een gewoonte van om in de dakgoot naar overvliegende geallieerde toestellen te kijken en luidkeels in het Engels hun commentaar van de daken te schreeuwen.
Na de bevrijding kwam er van de (voormalige) ondergrondse een auto om de piloten op te halen. Eén van hen mocht het hondje van de familie, waar hij gek op was meenemen.
Van dat ophalen waren de Havenaars tevoren niet op de hoogte gebracht. Later is Ralph Casstevens nog op bezoek geweest, voor Joseph Walker sloeg in 1948 het noodlot toe, toen hij zich tegen een berg te pletter vloog.

De KP (de “knokploeg” van de ondergrondse) was actief bij wapen droppingen achter in de polder. Ik ben er op een nacht bij gaan kijken. Al was het stikdonker eng was het wel. Je zag de lichtseinen op de grond naar de vliegtuigen, je hoorde het gekletter van de vallende containers, waarin de geweren waren verpakt.
Na de oorlog was er voor de ondergrondse een grote happening in de veiling.
Ds. Vink had er de leiding. Ik ben er bij geweest, het was fantastisch. Maar Izaák was niet uitgenodigd! Bij de jaarlijkse dodenherdenking werden vele kransen gelegd, Izaák is pas veel later, hij was al oud, daar een keer voor gevraagd.
Het is jammer, dat al die belangeloze, gevaarlijke activiteiten van Izaák en zijn Riet nooit erkenning hebben gekregen.

Berkel en Rodenrijs 21 januari 2005.
Johan Koot

Mevr. Luijt- Hensen      Mevr. Luijt- Hensen