Opgraving Stortvondst VB1

1 

kaart

De locatie is aangegeven op de kaart van het Hoogreemschap van Delfland (1712) binnen de rode cirkel. (coll.R. Tousain)

Jaar:               1996

Lokatie:           over de vaart in verlengde van Herenstraat 16, Berkel en Rodenrijs

Aanwezig:        Ron Tousain

Doos nrs         1 t/m 7, 10 Provinciaal Bodem Depot

Een slootvulling achter het dorp van Berkel

Op vrijdag 22 maart 1996 heeft Ron Tousain een veldverkenning gedaan op het bouwterrein waar het nieuwe winkelcentrum van Berkel moet verrijzen.

Op het midden van het terrein was al geheid en enig graafwerk verricht. De bodem vertoonde de zwarte aarde met daaronder een dunne bruinige laag en vervolgens de blauw-grijze zeeklei. Nagenoeg nergens op het terrein waren sporen van menselijke activiteiten te zien op wat ijsselstenen na, afkomstig van de voormalige boerderij.

Langs de vaart was inmiddels een beschoeiing gemaakt van stalen damwanden waarlangs werd gegraven. Hier lag onder de 2 meter dikke laag aarde een dik veenpakket van onbekende dikte. Ter hoogte van fietsenhandel Bommel lag een bruinige verkleuring in de zwarte aarde, 1,5 meter onder maaiveld.

Bij nadere bestudering bleek het om een slootvulling te gaan van nog geen halve meter dik rustend op het veenpakket.

De kraanmachinist was bereid om het restant van de slootvulling te laten liggen; zo’n vier meter lengte was al weggehaald. Snel zijn toen voorbereidingen getroffen om het laatste restje te bergen. Eerst is zoveel mogelijk opgemeten en gefotografeerd. Daarna is zoveel mogelijk uitgegraven.

De sloot had een breedte van ongeveer 95 cm en was gevuld met een 30 cm dik pakket bruinige zanderige aarde vol divers scherfmateriaal. Dit materiaal bestond uit gebruiksaardewerk, zowel rood- als witbakkend, enkele proenen en ander pottenbakkersmateriaal. Zeer opvallend was de hoeveelheid bisquit en faience. In drie middagen is het resterende deel van de sloot uitgegraven, dit betrof een lengte van vijf meter.

Op de kaart van Kruikius uit 1712 (opgemeten in 1703) is deze sloot exact terug te vinden. Deze toont daarbij ook welke sloot er inmiddels door het graafwerk verdwenen is; in de bodem was de verkleuring daarvan nog sporadisch te zien.

3

4   5

6

Het vondstmateriaal

Als aardige vondsten zijn te noemen een lakenlood, een fles, een zoutvaatje en een mesheft. Tijdens het uitgraven werd duidelijk dat het ging om een stort van een Delftse pottenbakker. De vondsten bevatten namelijk een klein beetje huishoudelijk afval naast de enorme hoeveelheid faience scherven en bisquit.

Het pottenbakkersafval bevatte iets meer geglazuurde scherven (53%) dan ongeglazuurde, het zogenaamde "bisquit" (47%).

Op enkele stukken bisquit was door de pottenbakker de oveninhoud genoteerd. Deze stukken werden buiten de oven gehouden waardoor de teksten niet tot glazuur gebakken zijn en ze er dus makkelijk af te vegen zijn. Een van de stukken was nog duidelijk te lezen.

7

Leerlingen mochten op afgekeurde bisquit hun schildering oefenen. Van dit soort oefenstukken is geen enkel exemplaar aangetroffen.

Ander typisch pottenbakkersafval zijn proenen. Dit zijn driehoekige plakken met aan de onderkant van elke hoek een puntje. Deze hulpstukken werden gebruikt om de te glazuren voorwerpen van elkaar te scheiden zodat ze niet aan elkaar vastbakten. Het enige nadeel hiervan was dat elke hoek een lelijke afdruk op het onderste voorwerp achterliet. Zo kun je op elk majolicabord de drie puntjes herkennen van de proen.

Tegen het midden van de 17e eeuw werd een nieuwe bakwijze ingevoerd. Borden en schotels werden voortaan op driehoekige pennen in afsluitbare kokers (casettes) gezet. De spiegel van het bord bleef nu gaaf en alleen aan de onderzijde waren drie kleine puntjes zichtbaar. Van deze kokers en pennen zijn een aantal teruggevonden, meer dan van proenen. Ook aan het bisquit was al te zien dat er meer "fijn Delfts" dan majolica werd geproduceerd.

Net als de proenen vertoonden de pennen veel sporen van gebruik zoals glazuurspatten en een vastgebakken scherf.

De aanwezigheid van z.g. proefstukjes is een bewijs dat de pottenbakker zijn assortiment wilde verbeteren of uitbreiden.8

Deze proefstukjes zijn bord- of tegelfragmenten voorzien van een witte fond en gedecoreerd met rechte en zig-zagstrepen. Met deze proefstukjes werden de kleurstoffen en het glazuur op hun bakeigenschappen beproefd.

Het meest complete exemplaar werd in een voetje van klei rechtop in de oven gezet. Aan de voorzijde is het beschilderd met blauwe zig-zaglijnen. Bovendien was deze kant in twee helften verdeeld door een blauwe streep. De linker helft was gemerkt met “2B” en de rechter helft met “5B”.

De achterkant is van een wafelmotief van zig-zaglijnen voorzien en gemerkt met “3B”. Mogelijk staat de B voor Blauw en het cijfer voor de hoeveelheid pugment.

Overige bewijzen van pottenbakkersafval zijn o.a. de aan elkaar gebakken scherven, de misbaksels waarbij het glazuur blazen vertoont en de bisquitscherven met glazuurspatten. Deze laatsten bewijzen dat bisquit en de te glazuren voorwerpen tegelijk in de oven werden gebakken.

Ook enkele hulpstukken in de vorm van handgevormde kleirollen werden aangetroffen. Dat zij met de hand zijn gevormd is makkelijk te zien want de hand- en vingerafdrukken van de maker staan er nog op. Er zijn slechts twee bisquit tegelfragmenten gevonden. Zij waren geheel kromgetrokken en dus weggeworpen. De dikte bedroeg 9mm wat wijst op een datering in de eerste helft van de 18e eeuw. Ook geglazuurde tegels werden aangetroffen maar deze waren ingemetseld geweest en behoorden dus tot het huisafval.

9

 

10

Het geglazuurde afval

Het grootste deel van het materiaal bestaat uit faience borden. Van alle voorstellingen vallen er twee het meest op door hun hoeveelheid. Van de 14,25 kg is 1,5 kg "chinees gebloemd" en 1,5 kg voorzien van een hond op een grond met drie bloemranken op de achtergrond.

Het laatste bord (A19) heeft een diameter van 22,6 cm en is met drie verschillende randmotieven uitgevoerd. Wel waren ze (voor zover het geval) allen het zelfde gemerkt.

Het andere bord (A37) toont een typisch chinees bloemmotief, gevuld met sterretjes. Deze borden zijn in drie afwijkende maten geproduceerd maar ook weer steeds met het zelfde cijfermerk. Op een bord werd een lettermerk gevonden waardoor we misschien de makers’ identiteit kunnen achterhalen.

11a

 

Nagenoeg alle voorwerpen zijn fragmentarisch teruggevonden. Dit komt doordat de fabricageplaats ver weg was, namelijk Delft. Stedelijk afval werd op het platteland verkocht als mest en als slootvulling of ophogingsmateriaal dus is het goed mogelijk dat er een deel elders is gestort. Bovendien was door de vrachtwagen al een flink deel weggevoerd. Helaas maakt dit alles dat de meeste motieven op de voorwerpen niet in zijn geheel kunnen worden gereconstrueerd.

Zo ook scherf nr. A41, dergelijke borden zijn wel gevonden maar niet meer tot een geheel te reconstrueren. De scherf draagt het merk PK in combinatie met een 6. Deze initialen zijn bekend van Pietersz. Kam die van 1668 tot 1718 eigenaar van De 3 Vergulde Astonnekens en van 1679 tot 1705 van De Paeuw, maar hij zette zijn merk op een geheel andere wijze.

Dit merk komt vaker voor in de Berkelse stort.  Op een grote pot A22 in combinatie met    en op theepot A21 met een 4. Op een ander theepotje in combinatie met een 1 en op bord A29 met een 2. Bij het theepotje A21 wijkt het merk enigzins af omdat het cijfer voor het merk staat in plaats van eronder.

12a

 

Om het merk PK te verklaren moeten we naar de archieven van de plateelbakkers kijken.

De voormalige bierbrouwerij “De Grieksche A” werd in 1658 door Wouter van Eenhoorn gekocht en tot plateelbakkerij verbouwd. Wouter was al eigenaar van de “3 Vergulde Astonnekens”, “Het Hooge Huys”, “De Paeuw” en de “Porceleine Fles”. In 1678 gaf hij “De Grieksche A” over aan zijn zoon Samuel die al sinds 1674 winkelhouder was. Het merk SVE werd in zijn tijd gevoerd.

Na zijn dood in 1686 verkocht zijn weduwe “De Grieksche A” aan haar zwager Adriaan Kockx die het merk AK voerde. Hij vererfde het bedrijf op zijn beurt weer aan zijn zoon Pieter Adriaansz. Kockx in 1701.

De merken AK en PAK zijn ook samen op een pul aangetroffen wat een bewijs is van gezamenlijk beheer. Het zou kunnen dat Pieter ook heeft gemerkt met PK, gezien de vondsten is dit aannemelijk.

Hoe verklaren we dan de overige merken?

Ten eerste is bekend dat plateelbakkers elkaars merk mochten gebruiken. We hadden al gezien dat er in voorgaande jaren een zekere relatie was tussen de Porceleine Fles en de Grieksche A.

Wouter van Eenhoorn bezat namelijk nog andere plateelbakkerijen waaronder sinds 1655 “De Porceleine Fles”. Zijn compagnon daarin was Quirinus van Kleijnoven. Deze laatste voerde een slecht leesbaar merk waarin een A te herkennen is. Dit zelfde merk werd in de stort teruggevonden met nog een merk waar wel duidelijk een A in staat. Het betreft het eerder besproken bord A37 dat in vele varianten werd gevonden.

Het resterende merk is duidelijk van de Porceleine Fles, namelijk het merk IK van Johannes Knotter die van 1697 tot 1701 eigenaar was. Het merk is gezet op de fraaie kom met nummer A30.

Het is mogelijk dat Johannes Knotter en Pieter Adriaanszoon Kockx goede vrienden en collega’s waren. Zij deelden niet alleen elkaars vriendschap en ambachtelijkheid maar ook de oorsprong van hun beider bedrijf, vandaar dat ze elkaars merk mochten lenen. In ieder geval zou dit de aanwezigheid van de merken kunnen verklaren.

13

De typische overeenkomsten

Een plateelbakker is te herkennen ten eerste aan het merk en ten tweede aan de hand van de schilder. Elke schilder had zijn eigen stijl die herkenbaar is aan de motieven en de manier van schilderen.

Wanneer je de prachtige tulpenvaas goed bekijkt vindt je tussen de weelderige krullen en waaierbladen een afzonderlijke en drie gegroepeerde bladeren in spaartechniek. Let daarbij op de bolle vorm ervan; deze komt exact overeen met die in de randvulling van theekopjes A06 en A42. Zelfs de nerven in een blad zijn op de zelfde manier getekend. Nu valt ook op dat de kleuren van het blauw en wit gelijk zijn wat kan betekenen dat deze voorwerpen door dezelfde schilder zijn geschilderd met het zelfde glazuur en ze gezamenlijk zijn gebakken.

Het dekseltje van een suiker- of mosterdpotje heeft ook de zelfde kleuren blauw en hoort misschien ook in dit groepje thuis.

14a

15a

16a

17a

18a

 

 Vondstenlijst Stortvondst

VB1-A01         VB1-A16        
zoutschaal, faience, blauw op wit   kwart bord, faience proefstukje met codering
VB1-A02         VB1-A17        
bord met Chinees en koe, faience   bord, fragment met tekst, faience  
VB1-A03         VB1-A18        
kom, achtkantig, faience     bord, fragment met herder en herderin  
VB1-A04         VB1-A19        
deksel suikerpot, faience blauw op wit   bord, chinese voorstelling met hond  
VB1-A05         VB1-A20        
tulpenvaas, faience, blauw op wit, gemerkt: proen        
PAK         VB1-A21        
VB1-A06         suikerpot, faience      
kom, faience, blauw op wit     VB1-A22        
VB1-A07         pot, faience      
schotel, faience       VB1-A23        
VB1-A08         pen, faience      
fles, glas XVIIIa       VB1-A24        
VB1-A09         pen, faience      
mesheft, been       VB1-A25        
VB1-A10         pen, faience      
tandenborstel, been     VB1-A26        
VB1-A11         suikerpot, faience      
deksel fragment, roodbakkend   VB1-A27        
VB1-A12         schotel, faience, blauw op wit, gemerkt:  
Bord, biscuit met inventaris oveninhoud, PvAK        
faience         VB1-A28        
VB1-A13         los oor van papkom, biscuit    
kom, bloemdecoratie, faience     VB1-A29        
VB1-A14         bord fragment, faience, blauw op wit, gemerkt:
textiellood, Colchester     PK 2        
VB1-A15         VB1-A30        
zalfpot         kom, gemerkt IK, faience    

 

VB1 A37 1

 

De stortvondst is nog lang niet volledig uitgewerkt. Hiervoor is veel tijd en specifieke kennis nodig.
Jammer is dat het grootste deel niet geborgen kon worden omdat de grondwerkers van het bouwterrein dit al hadden vergraven en afgevoerd. Misschien dat verder onderzoek naar het scherfmateriaal toch meer gegevens zal opleveren over de producent van dit pottenbakkersafval. We hebben een aantal randversieringen geordend, vormen beschreven en opvallende motieven genoteerd. Een eerste aanzet voor verdere uitwerking hopen we hiermee te hebben gegeven.
 
Ron Tousain