Heren en ambachtsheren

Het graafschap Holland bestond in de middeleeuwen uit steden en dorpen. De laatste werden ambachten genoemd. De graaf van Holland kon zijn gebied natuurlijk niet alleen besturen. Daarom gaf hij een deel van zijn bevoegdheden in leen uit aan de adel, die dat op hun beurt soms weer in achterleen uitgaven. De adellijke heren kregen op die manier rechten in de ambachten. Zo’n geheel aan rechten werd een “heerlijkheid” genoemd en de heren ambachtsheer. Wanneer ook het uitspreken van de doodstraf tot de rechten behoorde, was sprake van een hoge heerlijkheid en droeg de edelman de titel heer.

Tegen het einde van de zestiende eeuw verdween de adel van het toneel en zagen rijke burgers zo’n gebied niet alleen als belegging maar ook als middel om hun aanzien te vergroten.

De zogenaamde “heerlijke rechten” bestonden uit het benoemen van het plaatselijke bestuur (schout en ambachtsbewaarders) en de rechtspraak (schout en achtemannen), het benoemen van de belastingophalers en zelfs het benoemen van de pastoor en later de predikant. Al deze benoemingen waren met geld te koop en leverden de heer inkomsten op. Naast benoemingen waren er ook een aantal zakelijke rechten waaronder het visrecht, tienden, recht van zwanendrift (het houden van zwanen), de vogelarij, de jacht en het recht van de wind (plaatsen van molens).

Het ambacht Berkel en Rodenrijs (ook wel alleen Rodenrijs genoemd) had tot in de 14e eeuw twee ambachtsheren en een deel van het ambacht behoorde wellicht rechtstreeks aan de graaf. Vanaf het midden van de 14e eeuw is een volledige lijst van ambachtsheren op te stellen. Zij verloren hun benoemingsrechten bij de grondwetswijziging van 1848. De zakelijke rechten bleven echter nog lang bestaan.

De heerlijkheid De Tempel, een klein gebiedje in het uiterste zuidoosten van Rodenrijs, had nauwelijks of geen bewoners, stond ook vele jaren onder water maar was wel een hoge heerlijkheid, die status en aanzien gaf. De eerste uitgifte vond plaats in 1392, daarvoor was het waarschijnlijk persoonlijk bezit van de heren van Zuidwijk. De ambachtsheren van Berkel en Rodenrijs waren vaak ook heren van De Tempel.

Lijst van ambachtsheren en –vrouwen van Berkel & Rodenrijs

13e eeuw                   Alewijn van Rodenrise met Arnest van Wulven, ook genaamd Arst van den Broke (vermeld 1266 en 1281)

14e eeuw                   Ghiselrecht van Starckenborch (vermeld 1330, houdt de helft van het leen, de andere helft is waarschijnlijk van de graaf van Holland; draagt over aan Willem van Duvenvoorde)

tot 1350                     Willem van Duvenvoorde (die het in achterleen uitgeeft aan zijn neef Gerard van Polanen op zaterdag na Sacramentsdag 1350)

1350                          Gerard van Polanen

ca. 1351                     Philips Persoenresz. (het leen was tijdelijk verbeurd; Philips draagt het op 29-9-1351 over aan Gherijt van Herlaer)

1351-voor 1355           Gherijt van Herlaer

voor 1356-na 1367       Jan van Herlaer

na 1367-1387              Helwich van Herlaer, gehuwd met Hendrik heer van Vianen

1387-1394                  Arent heer van Egmond (heeft het ambacht in onderpand)

1394-1409                  Arent heer van Egmond

1409-1451                  Johan heer van Egmond (‘Jan II met de bellen’)

1451-1480                  Willem heer van Egmond

1480-1503                  Jacob bastaard van Borsselen

1504-1530                  Johan graaf van Egmond

1530-1541                  Karel graaf van Egmond (in 1530 nog minderjarig, voogd: Adriaen van Borsselen)

1542-1568                  Lamoraal van Egmond (in 1568 te Brussel onthoofd)

1568-1578                  het ambacht vervallen aan de graaf van Holland; in 1578 terug gegeven aan familie Van Egmond

1578-158?                  Philips van Egmond (overl. 1590; maar goederen verbeurd verklaard vanwege Spaans-gezindheid)

158?-1600                  Lamoraal van Egmond, broer van Philips (verkoopt 20-11-1600 het ambacht aan Johan van Oldenbarnevelt voor f 10.800)

1600-1619                  Johan van Oldebarnevelt (in 1619 te Den Haag onthoofd)

1620-1624                  het ambacht vervallen aan de Grafelijkheid

1624-1633                  Johan van Oldebarnevelt, minderjarige kleinzoon van Johan (hij koopt de rechten terug van de Staten van Holland voor 92.120 pond)

1633-1640                  Jacob van Oldebarnevelt, minderjarige broer van Johan jr.

1640-1644                  Francoise van Oldenbarnevelt, zus van Jacob, echtgenote van Adriaan van Naaldwijk

1645-1659                  Johan van Naeldwijck, minderjarige zoon van Francoise

1659-1660                  Adriaen van Naeldwijck, vader van Johan

1660-1665                  Anna Maria van Naeldwijck, dochter van Adriaen, echtgenote van Hendrik van Losecaet, drost van Heukelom

1665-1687                  Ida Margaretha van Losecaet en Machteld Adriana van Renoij, gehuwd met Jacob Snouckaert, dochters van Anna Maria

1687-1706                  Simon Jodocus Kruger (koopt het ambacht van Machteld Adriana van Renoij)

1706-1744                  Johan van der Hoeven

1744-1758                  Barbara Johanna van der Hoeven, dochter van Johan, gehuwd met Hendrik van Hees

1758-1769                  Anthonie Hendrik van Hees, zoon van Hendrik

1769-1774                  mr. Herman van Hees en Ignatius Johan van Hees, broers van Anthonie Hendrik (in 1774 besloten beiden dat Herman de titel Heer van Berkel en Rodenrijs zou dragen en Ignatius die van Heer van De Tempel)

1774-1786                  mr. Herman van Hees

1786-1826                  mr. Johan van Hees, zoon van Herman (formeel werden in 1786 alle kinderen van Herman en Ignatius Johan van Hees beleend met het ambacht)

1826-1830                  Francois van Hees

1830-1853                  Ignatius van Hees, neef van Francois (verkocht het ambacht op 7-12-1853 voor f 17.700)

vanaf 1853                  "Het Zedelijk Lichaam" (een familiefonds van de familie Van der Burg) 

Bronnen:                    Nationaal Archief, Archief Leenkamer Holland 226 (repertorium op de lenen); C. Hoek, Repertorium op de grafelijke lenen te Akkersdijk, Berkel (…) in: Ons Voorgeslacht 1983 p. 136 e.v.; Gemeentearchief Rotterdam, Archief Heerlijkheid Berkel 6 (aantekenboek Johan van der Hoeven) 

Lijst van heren en vrouwen van De Tempel

1392                          Dirck van Kralingen krijgt De Tempel toegewezen in het testament van zijn moeder, Kerstine van Zuidwijk, echtgenote van Willem van Kralingen

1485                          Jan van Cralingen beleend als opvolger van zijn vader

1500-1512                  Daniel van Cralingen

1512-1562                  mr. Jan Jacobsz van Utrecht

1562-1570                  mr. Jacob Jansz van Utrecht, zoon van Jan

1570-1575                  Pouwels Jansz van Utrecht, broer van Jacob

1575-1592                  Jan Roo van Utrecht (oom van Maria van Utrecht, die de vrouw was van Johan van Oldenbarnevelt)

1592-na 1608              Reinier van Oldenbarnevelt, zoon van Johan (in 1592 minderjarig, zijn vader Johan nam tot 1608 waar; Jan Roo van Utrecht en zijn vrouw houden levenslang het vruchtgebruik)

1633-1645                  Francoise van Oldenbarnevelt, kleindochter van Johan sr., echtgenote van Adriaen van Naaldwijk

1645-1659                  Johan van Naaldwijk, zoon van Adriaan

1659-1660                  Adriaan van Naaldwijk, vader van Johan

1662-1665                  Reinier van Naaldwijk, zoon van Adriaan

1665 1666                  Adriaan van Naaldwijk jr., zoon van Reinier

1667                          Maria Doublet, weduwe van Reinier van Naaldwijk en Adriana Catharina van Naaldwijk, dochter van Reinier

1681-1708                  Robert le Plaa (deze had al in 1674 een hypotheek verstrekt op De Tempel en de heerlijkheid in 1679 in beslag genomen)

1708-1715                  Nicolaas Ghijs te Leiden

1715-1744                  mr. Johan van der Hoeven (De Tempel wordt verveend, onder leenverband wordt nu gebracht het huis Berkeloort, nu De Tempel, in Schieveen)

1744-1757                  mr. Hendrik van Hees en zijn echtgenote Barbara Johanna van der Hoeven, dochter van Johan

1757-1758                  Barbara Johanna van der Hoeven

1758-                         mr. Anthonie Hendrik van Hees, zoon van Hendrik en Barbara

1769-1774                  mr. Herman van Hees en Ignatius Johan van Hees, broers van Anthonie Hendrik (in 1774 besloten beiden dat Herman de titel Heer van Berkel en Rodenrijs zou dragen en Ignatius die van Heer van De Tempel; in hetzelfde jaar werd Berkeloort/De Tempel uit het leenverband ontslagen en het oude De Tempel daar weer in ondergebracht)

1774-1786                  Ignatius Johan van Hees

                                 de volgende belening is waarschijnlijk:

1787-1824                  mr. Hendrik Herman van Hees, zoon van Ignatius Johan (formeel moesten alle kinderen van Herman en Ignatius Johan van Hees volgens de overeenkomst van 1774 worden beleend met de heerlijkheid)

1824-                         jhr.mr. Ignatius Johan van Hees, zoon van Hendrik Herman (met zijn broers Henri Eduard en David Cornelis kwam hij overeen dat zij zich allen Van Hees van de Tempel bleven noemen) 

Bronnen:                    Gemeentearchief Rotterdam, Archief Heerlijkheid De Tempel 1 (aantekenboek Johan van der Hoeven); A.Ch.T. Kersbergen, Uit de geschiedenis van De Tempel in: Rotterdams Jaarboekje 1950